ECLI:NL:GHARL:2013:CA1493
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Veroordeling tot betaling voor geleverde energie op grond van ongerechtvaardigde verrijking
In deze civiele zaak stond centraal of tussen appellant en RWE een overeenkomst tot levering van energie tot stand was gekomen en of deze rechtsgeldig was ontbonden. RWE leverde tussen 5 augustus 2009 en 23 april 2010 energie aan appellant, die de facturen niet betaalde. De kantonrechter veroordeelde appellant tot betaling op grond van ongerechtvaardigde verrijking.
Appellant betwistte het bestaan van een overeenkomst en stelde dat hij de overeenkomst telefonisch had ontbonden. Het hof oordeelde dat appellant voldoende had betwist dat een overeenkomst tot stand was gekomen en dat RWE onvoldoende bewijs had geleverd. Hierdoor kon niet worden aangenomen dat een overeenkomst bestond.
Desondanks oordeelde het hof dat appellant ongerechtvaardigd was verrijkt door de geleverde energie en veroordeelde hem tot betaling van het factuurbedrag van €2.645,27. De wettelijke rente werd vastgesteld vanaf de dag van dagvaarding, 21 februari 2011. De kosten van het principaal appel werden aan appellant opgelegd, terwijl RWE de kosten van het incidenteel appel moest dragen.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter, met uitzondering van de ingangsdatum van de wettelijke rente, en wees alle overige vorderingen af.
Uitkomst: Appellant wordt veroordeeld tot betaling van €2.645,27 aan RWE wegens ongerechtvaardigde verrijking met wettelijke rente vanaf 21 februari 2011.