ECLI:NL:GHARL:2013:CA2220
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake toepassing artikel 3.65 Wet IB 2001 bij inbreng onderneming in BV
Belanghebbende erfde samen met haar zuster en broer twee agrarische ondernemingen in Nederland en Duitsland en bracht de Nederlandse onderneming in 2007 in een besloten vennootschap in. De Inspecteur weigerde toepassing van artikel 3.65 Wet IB 2001, omdat de inbreng onderdeel zou zijn van een geheel van rechtshandelingen gericht op overdracht of liquidatie van de onderneming.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard, maar het hof vernietigt deze uitspraak. Het hof oordeelt dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende en haar familie het voornemen hadden om na de vijfjaarstermijn de Nederlandse onderneming te verkopen en dat de inbreng onderdeel was van een overdracht of liquidatie.
De feiten tonen dat de Nederlandse onderneming verlieslatend was en dat de lening bij de bank werd aangehouden met uitstel van aflossing en rente, in afwachting van verkoop. De interne notities van de bank en de feitelijke gedragingen ondersteunen dit beeld. Het hof wijst het incidentele hoger beroep van belanghebbende af en veroordeelt de Inspecteur niet in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de Inspecteur gegrond en bevestigt de afwijzing van toepassing van artikel 3.65 Wet IB 2001.