ECLI:NL:GHARL:2013:CA3979
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geschil over goodwillvergoeding bij vertrek fysiotherapeut uit maatschap
In deze zaak draait het om de vraag of tussen een vertrekkende fysiotherapeut en haar voormalige maatschapgenoten een overeenkomst tot betaling van een goodwillvergoeding is gesloten voor het overnemen van haar patiëntenbestand. Appellante stelde dat zij recht had op een vergoeding van € 39.692,50, primair op grond van een overeenkomst, subsidiair wegens ongerechtvaardigde verrijking.
De feiten betreffen een maatschap van vier fysiotherapeuten, waarvan één in 2007 vertrok en een goodwillvergoeding ontving. Appellante zegde in 2008 de maatschap op en vertrok per 1 juli 2009, waarna haar patiënten door de overblijvende maten werden behandeld. Hoewel er communicatie was over overname, heeft het hof geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat geïntimeerde stilzwijgend instemde met een verplichting tot betaling van een goodwillvergoeding.
Ook de subsidiaire grondslag van ongerechtvaardigde verrijking faalde, omdat appellante onvoldoende aannemelijk maakte dat geïntimeerde hierdoor is verrijkt. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Groningen en veroordeelde appellante in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot betaling van goodwillvergoeding af en bekrachtigt het vonnis van de rechtbank.