Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of appellant ten onrechte was beschuldigd van seksuele intimidatie door geïntimeerde tijdens een taxirit. Appellant voerde aan dat de beschuldiging onterecht was en vorderde schadevergoeding. In hoger beroep werden zes getuigen aan appellantzijde gehoord, terwijl geïntimeerde en drie getuigen in contra-enquête werden gehoord.
Het hof oordeelde dat de verklaringen van de getuigen aan appellantzijde, waaronder partijgetuigen en bekenden, onvoldoende bewijs leverden ter ondersteuning van zijn stelling. De verklaring van geïntimeerde werd als authentiek en betrouwbaar beoordeeld. Ook de verklaring van een getuige die een schriftelijke verklaring overlegde over ritgegevens, leverde geen aanvullend bewijs op.
Het hof concludeerde dat appellant niet is geslaagd in het bewijs dat hem was opgedragen. Ook de tegenverklaringen in contra-enquête ondersteunden zijn stelling niet. De vordering tot schadevergoeding werd daarom afgewezen en het vonnis van de rechtbank Leeuwarden werd bekrachtigd onder verbetering van gronden. Appellant werd veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wegens onterechte beschuldiging van seksuele intimidatie wordt afgewezen en het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.