Uitspraak
1.[appellante 1],
[appellante 1],
2. [appellante 2],
[appellante 2],
3. [appellante 3],
[appellante 3],
[appellanten],
[geïntimeerde],
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
3.De beoordeling
wil graag duidelijkheid, en dat kan ik me heel goed voorstellen. Volgende week maandag(…) zou zij duidelijkheid geven aan mogelijk andere geïnteresseerden. Zelf wil zij wel in gesprek blijven met [geïntimeerde] gezien de eerste contacten die voor haar en mij goed voelde. (…) Volgende week wordt de deur voor anderen wel weer op een kier gezet, gezien de onduidelijkheid. (...)"
zeggen dat ik vóór 1 juli a.s. de zaak geregeld wil hebben en dan niet alleen in woorden maar ook in daden. Zo niet, dan ga ik de gesprekken met Incassade en de andere deurwaarderskantoren na 1 juli gewoon doorzetten. Gezien de reacties zal daar ongetwijfeld ook een serieuze aanbieding bij zitten. De afspraken voor deze gesprekken kun je alvast gaan maken.(…)”
"(…) Ik vind het absoluut in het belang van [appellante 1] dat we, voordat er een overnameovereenkomst opgesteld wordt toch nog om de tafel moeten. In grote lijnen staat ons allen voor de ogen hoe we verder gaan.
"(…)
"(…) Het overnemen van het krediet zien wij feitelijk als (door ons te betalen) overnamesom. Tot meer zijn wij niet bereid. (…) Zoals al eerder aangegeven hebben wij eigenlijk geen behoefte aan een standplaats in [vestigingsplaats 1]. (…)"
(vgl. ECLI:NL:HR:1987:AD0018; ECLI:NL:HR:1996:ZC2158 en ECLI:NL:HR:1996:ZC2105).
(r.o 3.1.10.) wordt door [Z] aangegeven dat nog veel punten niet duidelijk zijn. De reactie van [geïntimeerde] is in die zin geruststellend, dat zij stelt dat die punten uitvoerig zijn besproken. Door [geïntimeerde] wordt ook niet betwist dat op een aantal punten tijdens de bespreking op 21 juli 2010 overeenstemming is bereikt. [appellante 1] zou de in- en externe contacten voor haar rekening nemen en de interne coaching. Beide partijen stellen dat zij als boegbeeld van [geïntimeerde] gaan optreden. Na dit gesprek stelden [appellanten] echter (opnieuw) meerdere punten ter discussie, zoals blijkt uit de mailwisseling die na 21 juli 2010 ontstaat: [appellante 1] laat weten dat ze een vergoeding wil voor haar standplaats. Zij voelt er niets voor haar rekening-courantverhouding met haar Holding in te lossen, zoals [geïntimeerde] wil en onderzoekt de mogelijkheid van ontvlechting. Als klap op de vuurpijl komt dan de mail van 30 juli 2010 ( r.o.3.1.15.). [appellanten] komen niet alleen met het voorstel de samenwerking in de vorm van een activa-passiva transactie te gieten - een optie die tot op dat moment niet aan de orde was geweest (zie r,o. 3.1.6. en 3.1.11) - maar ook met aanspraken op toegezegde punten als een driedaagse werkweek, het opnemen van onbeperkt verlof, een persoonlijk assistent en het niet hoeven rijden van exploten. Dit terwijl partijen, zo verklaarden zij beide bij gelegenheid van het pleidooi, op 21 juli 2010 uit elkaar zijn gegaan met het idee dat de toetreding van [appellante 1] tot [geïntimeerde] zo ongeveer afgerond was. Desalniettemin stond vervolgens met de mail van 30 juli weer een groot aantal punten ter discussie. Het hof kan [appellanten] niet volgen in de stelling dat dit slechts kleine, van ondergeschikt belang zijnde punten waren. Zeker tegen de achtergrond van het feit dat [appellante 1] als boegbeeld van [geïntimeerde] moest gaan functioneren, kan niet als zodanig worden aangemerkt het geheel van - onder meer - (i) een vergoeding voor een standplaats waar geen belang aan werd gehecht, (ii) een activa-passiva transactie terwijl er een uitgewerkt voorstel ligt voor de overdracht van aandelen, (iii) een driedaagse werkweek en (iiii) de mogelijkheid van onbeperkt onbetaald verlof, waarbij ook de mogelijkheid van terugtreding al werd aangekaart.