Uitspraak
[appellante],
[geïntimeerde],
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.De vordering en beoordeling in eerste aanleg
4.De beoordeling in hoger beroep
€ 437,00
€ 683,00
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak staat de vordering van de verhuurder tot betaling van een huurachterstand van een bedrijfsruimte centraal. De huurder stelde zich op het standpunt dat de achterstand verrekend kon worden met een waarborgsom die haar voorganger zou hebben betaald, terwijl de verhuurder stelde dat er een bankgarantie was gesteld die inmiddels was geretourneerd.
De kantonrechter wees de vordering af wegens onvoldoende onderbouwing van de huurovereenkomst en de hoogte van de vordering. Het hof oordeelde echter dat het huurcontract en de identiteit van de huurder niet ter discussie stonden en dat het overzicht van de huurbetalingen voldoende inzicht gaf in de achterstand. De huurder had onvoldoende betwist dat de achterstand bestond.
Verder stelde het hof vast dat de huurder als rechtsopvolger was geïndeplaatst en dat de bankgarantie van €5.000,- was geretourneerd nadat een nieuwe bankgarantie was gesteld. De huurder kon geen bewijs leveren van een waarborgsom die als verrekening kon dienen. De vordering van €6.703,64 werd daarom toegewezen met wettelijke rente, maar de buitengerechtelijke incassokosten werden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van gemaakte kosten.
Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter, veroordeelde de huurder tot betaling van de huurachterstand met rente en veroordeelde haar in de kosten van beide instanties. Het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot betaling van €6.703,64 huurachterstand met wettelijke rente, incassokosten worden afgewezen.