Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
erven [A], zijnde
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak in hoger beroep heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden de vaststelling van pachtovereenkomsten tussen appellant en de erven van wijlen verpachter [A] behandeld. Het hof heeft het bewijs van partijen, waaronder getuigenverklaringen van appellant, zijn vader en een belastingadviseur, zorgvuldig gewogen.
De verklaringen van appellant en zijn vader over een langdurige gebruiksovereenkomst voor het perceel [2] werden deels betwist vanwege feitelijk gebruik dat niet overeenkwam met de afspraken. De getuigenverklaring van de belastingadviseur bevestigde dat de verpachter de grond incidenteel verhuurde, maar waarschuwde tegen het ontstaan van een vaste gebruiksovereenkomst.
Het hof stelde vast dat een pachtovereenkomst voor onbepaalde tijd geldt voor een deel van perceel [1] vanaf 2002 en 2006, tegen een pachtprijs van €450 per hectare. Voor perceel [2] werd een feitelijk beëindigde overeenkomst vastgesteld voor de jaren 2007 en 2008 tegen €650 per hectare. Het meer gevorderde werd afgewezen. De erven werden veroordeeld in de kosten aan appellant toe te rekenen tot aan het tussenarrest, met compensatie van overige proceskosten.
Uitkomst: Het hof stelt pachtovereenkomsten vast voor perceel [1] voor onbepaalde tijd en voor perceel [2] voor bepaalde tijd en wijst het meer gevorderde af.