ECLI:NL:GHARL:2014:2474

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
13 maart 2014
Publicatiedatum
26 maart 2014
Zaaknummer
200.132.202-01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:254 BWArt. 1:266 BWArt. 1:268 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bekrachtiging ontheffing gezag vader over minderjarige en benoeming voogd

De vader is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank die hem ontheft van het gezag over zijn minderjarige dochter, die sinds haar jonge leeftijd bij pleegouders verblijft. De Raad voor de Kinderbescherming en Bureau Jeugdzorg Friesland hebben het verzoek van de vader bestreden.

De rechtbank had de vader en moeder ontheven van het gezag en BJZ benoemd tot voogd. Het hof overweegt dat de vader ongeschikt en onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mede door zijn strijdlustige, niet meewerkende en agressieve houding, en het ontbreken van perspectief op terugplaatsing bij de ouders.

De minderjarige is veilig en gehecht aan het pleeggezin, en het belang van continuïteit en stabiliteit weegt zwaarder dan het belang van de vader. De voogdij wordt overgedragen aan BJZ, die als neutrale partij de belangen van het kind kan behartigen. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking.

Uitkomst: De ontheffing van het gezag van de vader over de minderjarige wordt bekrachtigd en BJZ benoemd tot voogd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.132.202/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/125645/FA RK 13-396)
beschikking van de familiekamer van 13 maart 2014
inzake
[de vader],
wonende te [woonplaats 1],
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. J.J. de Vries, kantoorhoudend te Leeuwarden,
tegen
Raad voor de Kinderbescherming regio Noord Nederland, locatie Leeuwarden,
kantoorhoudend te Leeuwarden,
verweerder in hoger beroep,
verder te noemen: de raad.
Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1.[de moeder],

wonende te [woonplaats 2],
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. M. Rosema, kantoorhoudende te Oosterwolde,

2.Bureau Jeugdzorg Friesland,

kantoorhoudend te Leeuwarden,
hierna te noemen: BJZ, en

3.de familie [X 1],

wonende te [woonplaats 3],
hierna te noemen: de pleegouders.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 22 mei 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 13 augustus 2013, is de vader in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vader verzoekt het hof die beschikking te vernietigen, (naar het hof begrijpt:) voor zover de beslissing ziet op de ontheffing van het gezag van de vader over [minderjarige], en opnieuw rechtdoende te bepalen
dat het verzoek van de raad, (naar het hof begrijpt:) voor wat betreft het verzoek de vader
te ontheffen van het gezag over [minderjarige], wordt afgewezen.
2.2
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 25 september 2013, heeft BJZ het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden.
2.3
Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 1 oktober 2013, heeft de moeder het verzoek in hoger beroep van de vader bestreden.
2.4
De raad heeft binnen de gestelde termijn geen verweerschrift ingediend.
2.5
Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:
- op 27 augustus 2013 een brief van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, met bijlage;
- op 27 augustus 2013 een journaalbericht van 26 augustus 2013 van de vader met bijlagen;
- op 9 januari 2014 een journaalbericht van 7 januari 2014 van de vader met bijlagen;
- op 16 januari 2014 een brief van BJZ van 14 januari 2014 met bijlagen;
- op 16 januari 2014 een brief van BJZ van diezelfde datum met bijlagen.
2.6
De mondelinge behandeling heeft op maandag 27 januari 2014 plaatsgevonden.
De vader is ter zitting van het hof verschenen, bijgestaan door zijn advocaat.
Namens de raad is de heer [X 2] verschenen, namens de moeder is mr. [Y] verschenen en namens de stichting zijn de heer [Z] en de heer mr. F.M. de Jong verschenen. Mr. De Jong heeft ter zitting van het hof een pleitnotitie overgelegd.
De moeder en de pleegouders zijn niet verschenen.

3.De vaststaande feiten

3.1
De vader en de moeder zijn op 23 juli 2009 met elkaar gehuwd, uit welk huwelijk op [geboortedatum] te [geboorteplaats] [minderjarige] (ook te noemen: [minderjarige]) is geboren.
Het huwelijk is ontbonden door echtscheiding op 22 juli 2011.
3.2
Bij beschikkingen van de rechtbank Leeuwarden van 27 april 2011 is [minderjarige] onder toezicht gesteld en met een machtiging uit huis geplaatst, nadat zij reeds bij beschikking
van 3 februari 2011 voorlopig onder toezicht was gesteld en met spoed uit huis was geplaatst. De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn sindsdien
telkens verlengd. [minderjarige] verblijft sinds 3 februari 2011 bij de pleegouders.
3.3
Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, op 6 maart 2013, heeft de raad verzocht de vader en de moeder te ontheffen van het gezag over [minderjarige].
3.4
Bij de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde bestreden beschikking heeft de rechtbank de vader en de moeder ontheven van het gezag over [minderjarige]. De rechtbank heeft BJZ benoemd tot voogdes over [minderjarige].

4.De motivering van de beslissing

4.1
Op grond van artikel 1:266 BW Pro kan een ouder van het gezag over zijn kind worden ontheven indien hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van het kind zich daartegen niet verzet. Artikel 1:268 BW Pro bepaalt vervolgens in het eerste lid dat ontheffing niet kan worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet, welke regel vervolgens (onder meer) uitzondering leidt indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt of na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat dat deze maatregel door de in artikel 1:266 BW Pro genoemde onmacht of ongeschiktheid onvoldoende is om de dreiging als bedoeld in artikel 1:254 BW Pro af te wenden (lid 2 onder a).
4.2
In het raadsrapport van 22 februari 2013 is onder meer vermeld dat [minderjarige] behoefte heeft aan veiligheid, continuïteit en een pedagogisch verantwoorde opvoedingsomgeving en dat de vader ongeschikt en onmachtig is om [minderjarige] dat te bieden en aan te sluiten bij wat zij nodig heeft. Daar komt bij dat de ouders elkaar als ouder diskwalificeren, wat maakt dat terugplaatsing bij een van de ouders niet mogelijk is vanwege het onaanvaardbare risico op loyaliteitsproblemen en verlies van contact met de andere ouder. De vader handelt veelal vanuit zijn eigen behoeften en is onvoldoende in staat zijn eigen behoeften ondergeschikt te maken aan en aan te sluiten bij de (ontwikkelings)behoeften van [minderjarige]. De vader heeft zich vanaf de aanvang van het uitspreken van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing strijdlustig, niet meewerkend, niet begeleidbaar, maar ook dreigend en agressief opgesteld. De vader is enorm vasthoudend in zijn strijd om [minderjarige] weer bij hem thuis te krijgen. Hij is er van overtuigd dat [minderjarige] bij hem moet opgroeien en zal naar verwachting zijn strijd nooit staken. Het feit dat de vader [minderjarige] niet de ruimte en gelegenheid geeft om te mogen opgroeien in het pleeggezin, gaat ten koste van de veiligheid en rust in de opvoedsituatie van [minderjarige]. Door de houding van de vader is met hem geen constructieve samenwerkingsrelatie tot stand gekomen. De vader heeft op geen enkele wijze openheid van zaken gegeven, waardoor er geen zicht op zijn persoon en zijn persoonlijke omstandigheden is, laat staan dat gewerkt kan worden aan het vergroten van zijn pedagogisch inzicht en pedagogische vaardigheden waar - naar het hof begrijpt: gelet op de bevindingen in het verleden - onveranderd grote zorgen over blijven bestaan. De raad is van mening dat het perspectief van [minderjarige] bij de pleegouders ligt. [minderjarige] voelt zich in het pleeggezin veilig en gehecht en ontwikkelt zich daar goed.
4.3
Het hof overweegt dat de vader zichzelf zonder enig voorbehoud als meest geschikte opvoeder van [minderjarige] ziet en vindt dat hij bij de opvoeding van [minderjarige] geen hulp nodig heeft. De vader accepteert geen hulpverlening en is in het verleden ook niet stuurbaar gebleken als er wel hulp werd ingezet. De vader heeft steeds geweigerd om zijn medewerking te verlenen aan - door zowel de rechtbank, de raad als BJZ noodzakelijk geachte - onderzoeken naar zijn persoon en persoonlijke omstandigheden.
Ook ter zitting van het hof heeft de vader nogmaals te kennen gegeven dat een dergelijk onderzoek niet nodig is, omdat er met hem niets aan de hand is. Volgens de vader zou hij, als er met hem iets mis zou zijn, zijn opgenomen in een inrichting. Nu dit niet het geval is, hoeft hij ook niet onderzocht te worden, aldus de vader. De vader lijkt niet te begrijpen dat hij door deze opstelling en instelling voorbij gaat aan de belangen van zijn dochter.
Uit de beantwoording van de vragen die ter zitting van het hof aan de vader zijn gesteld,
is duidelijk naar voren gekomen dat de vader het belang van [minderjarige] niet boven zijn eigen belang kan stellen. De vader is hierin ook ter zitting van het hof in het geheel niet te sturen gebleken. Naar het oordeel van het hof is, op grond van al het voorgaande, voldoende komen vast te staan dat de vader onmachtig is om [minderjarige] op te voeden en te verzorgen.
Doordat de vader elke medewerking weigert aan de hiervoor vermelde noodzakelijk geachte onderzoeken, voor welke onderzoeken gerechtvaardigde gronden bestaan, heeft het hof geen aanleiding te veronderstellen dat dit anders zou zijn. De enkele omstandigheid dat
de laatste drie omgangsmomenten tussen de vader en [minderjarige] goed zijn verlopen, is daartoe onvoldoende en maakt dit oordeel, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet anders.
4.3
De maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing zijn in beginsel van tijdelijke aard en dienen gericht te zijn op (het werken aan) de terugkeer van het kind naar
de ouder. Uit de duur van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in dezen, alsmede uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat er - anders dan de vader veronderstelt en blijft aangeven - geen perspectief is op plaatsing van [minderjarige] bij de vader. Hoewel het uiteindelijke doel van een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing weliswaar een hereniging met de ouder(s) is, kan door verloop van een lange periode waarin het kind bij de pleegouders opgroeit kan het belang van het kind van hereniging met zijn ouder(s) echter verschuiven naar het belang van het kind op een ongestoorde voortzetting van zijn feitelijke gezinsleven met de pleegouders. Hiervan is in het geval van [minderjarige] sprake. [minderjarige] bevindt zich vanaf dat zij anderhalve maand oud is bij de pleegouders, waar zij gehecht en op haar plaats is. De continuïteit en het ongestoorde verloop van het opvoedingsperspectief van [minderjarige] bij de pleegouders is voor haar verdere ontwikkeling van groot belang. Het hof is, in aanmerking genomen dat - gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen - de getroffen kinderbeschermingsmaatregelen onvoldoende bescherming bieden om de dreiging van het zodanig opgroeien van [minderjarige], dat haar zedelijke of geestelijke belangen of gezondheid ernstig worden bedreigd, af te wenden, van oordeel dat het belang van de vader om het gezag over [minderjarige] te behouden niet opweegt tegen het belang van [minderjarige] op duidelijkheid en stabiliteit in haar leven. Het hof merkt in dit kader op dat het door de vader aangevoerde, mede gelet op de verklaringen die BJZ daaromtrent heeft verstrekt, geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de geschiktheid van de pleegouders als opvoeders en verzorgers van [minderjarige].
4.4
Het hof betrekt voorts in zijn oordeel dat het de vrees van de raad deelt dat de vader, bij plaatsing van [minderjarige] bij hem, omgang met de moeder niet zal toestaan of begeleiden, terwijl ook een regelmatig contact met de moeder voor [minderjarige] van groot belang is.
4.5
Het hof overweegt ten slotte dat de spanning en onrust die de verlenging van de kinderbeschermingsmaatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing telkens
met zich brengt niet in het belang van [minderjarige] is. De vader heeft immers bij herhaling aangegeven dat hij wil dat [minderjarige] bij hem thuis komt wonen. [minderjarige] zal hier in toenemende mate mee worden geconfronteerd terwijl zij juist gebaat is bij duidelijkheid omtrent haar toekomstperspectief, dat naar 's hofs oordeel blijvend is gelegen bij de pleegouders.
4.6
Het hof is, met de rechtbank, van oordeel dat de voogdij dient te worden overgedragen aan BJZ, die als neutrale partij de belangen van [minderjarige] in het vizier kan houden en kan behartigen.

5.De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen, voor zover aan hoger beroep onderworpen.

6.De beslissing

Het gerechtshof:
bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 22 mei 2013 voor wat betreft de (uitvoerbaar bij voorraad verklaarde) ontheffing van de vader van het gezag over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [woonplaats 1],
met benoeming van BJZ tot voogdes.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, voorzitter, mr. J.G. Idsardi en
mr. R. Feunekes, bijgestaan door mr. S.C. Lok als griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 13 maart 2014.