Uitspraak
Bpf Beroepsvervoer,
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond de vordering van Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Beroepsvervoer (Bpf Beroepsvervoer) tegen een transportbedrijf centraal, waarbij het pensioenfonds betaling van openstaande pensioenpremies en bijkomende kosten vorderde. De feiten waren onbetwist: de werkgever viel onder de toepasselijke cao en het verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfonds.
De kantonrechter had reeds een deel van de vordering toegewezen, maar wees een substantieel deel af. In hoger beroep stelde het pensioenfonds zich op het standpunt dat het volledige gevorderde bedrag, verminderd met reeds betaalde bedragen, toewijsbaar was. De werkgever betwistte enkele facturen en stelde zich op het standpunt van betalingsonmacht.
Het hof oordeelde dat de vastgestelde feiten onbetwist waren en dat de werkgever onvoldoende onderbouwing gaf voor haar bezwaren tegen de facturen. De werkgever verscheen niet op de comparitie, waardoor haar bezwaren onvoldoende concreet werden gemaakt. Het hof kende het resterende bedrag van € 6.457,83 toe met wettelijke rente vanaf 12 augustus 2011 en mat de buitengerechtelijke incassokosten tot de helft toe vanwege onduidelijkheden veroorzaakt door het pensioenfonds.
Daarnaast werd het pensioenfonds veroordeeld tot terugbetaling van een te hoog betaald griffierecht aan de werkgever. De proceskosten werden verdeeld waarbij de werkgever grotendeels in het ongelijk werd gesteld. Het arrest werd op 13 mei 2014 uitgesproken door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: De werkgever wordt veroordeeld tot betaling van een aanvullend bedrag aan pensioenpremies met rente en incassokosten, terwijl het pensioenfonds een deel van het griffierecht moet terugbetalen.