Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak staat derdenbeslag op huurpenningen centraal. De schuldeiser had een vonnis verkregen tegen een huurder, [X], en legde executoriaal derdenbeslag op de huurpenningen die de huurders, [appellant] en [Y], aan [X] verschuldigd waren. Hoewel de huurders verklaarden maandelijks € 645 te betalen en een achterstand van € 600 te hebben, droegen zij niets af aan de schuldeiser.
De huurders stelden in de procedure dat zij gemiddeld slechts € 75 per maand huur betaalden, waarbij het resterende bedrag werd kwijtgescholden of gecompenseerd door het verrichten van klussen. De kantonrechter stelde een verzwaarde stelplicht vast en gaf de huurders de gelegenheid hun stellingen met bescheiden te onderbouwen, wat zij nalieten.
De kantonrechter wees de vordering van de schuldeiser toe en het hof bekrachtigde dit vonnis in hoger beroep. Het hof oordeelde dat de verklaring van de huurders niet voldeed aan de wettelijke eisen en dat onvoldoende onderbouwing werd geleverd voor het lage huurbedrag. Hierdoor werd de vordering van de schuldeiser toegewezen en de kosten van het hoger beroep aan de appellant opgelegd.
Uitkomst: Het gerechtshof bekrachtigt de vonnissen en veroordeelt de appellant tot betaling van het beslagbedrag en in de kosten van het hoger beroep.