Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het geschil betreft de vaststelling van de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud, studie en verzorging van zijn kinderen na ontbinding van het huwelijk met de vrouw. De rechtbank had de bijdrage vastgesteld op €214 per kind per maand vanaf 1 januari 2013. De man ging in hoger beroep en betwistte onder meer de berekening van de behoefte en zijn draagkracht.
Het hof nam het inkomen van de man over het jaar 2012 als uitgangspunt voor de draagkracht, aangezien dit het eerste volledige jaar was waarin hij een eenmanszaak voerde. De behoefte van de kinderen werd vastgesteld op €498 per maand, wat neerkomt op €249 per kind. De draagkracht van de man werd berekend op €840 per maand tot 3 maart 2013 en €782 daarna, rekening houdend met fiscale voordelen en woonlasten.
De vrouw trok haar incidentele hoger beroep in. Het hof stelde de bijdrage van de man vast op €168 per kind per maand tot 3 maart 2013 en €164,50 daarna. Tevens moet de man €164,50 per maand bijdragen in de studiekosten en het levensonderhoud van de meerderjarige dochter vanaf 3 maart 2013. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en de nieuwe vaststelling werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De man moet een aangepaste kinderbijdrage betalen van €168 per kind per maand tot 3 maart 2013 en €164,50 daarna, plus een bijdrage in studiekosten van de meerderjarige dochter.