Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in hoger beroep, verder te noemen: de bewindvoerder,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak staat de rechtmatigheid van het onderscheid in beloning van bewindvoerders centraal, waarbij leden van de Branchevereniging van Professionele Bewindvoerders en Inkomensbeheerders (BPBI) een hoger maximumtarief hanteren dan niet-leden. De kantonrechter had de beloning van de bewindvoerder voor 2011 vastgesteld op maximaal € 871,-, waarbij het meer of anders verzochte was afgewezen.
De bewindvoerder stelde in hoger beroep dat het onderscheid in maximumtarieven onrechtvaardig is en dat de beloning gebaseerd zou moeten zijn op de kwaliteit van de bewindvoerder in plaats van het lidmaatschap van een branchevereniging. Tevens voerde hij aan dat hij in eerste aanleg niet voldoende is gehoord, wat volgens hem zijn procesbelangen schaadt.
Het hof oordeelt dat de bewindvoerder wel degelijk is gehoord en dat de procesgang in eerste aanleg niet tot schending van zijn belangen heeft geleid. Daarnaast acht het hof het onderscheid in beloning gerechtvaardigd omdat BPBI-leden hogere kwaliteitseisen naleven, waaronder permanente bijscholing en jaarlijkse audits, wat extra kosten met zich meebrengt. Dit onderscheid is volgens het hof niet in strijd met het recht. De bestreden beschikking wordt dan ook bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking van de kantonrechter en verklaart het onderscheid in beloning tussen BPBI-leden en niet-leden rechtens aanvaardbaar.