Het geschil betreft de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud en studie van zijn kinderen na echtscheiding. Partijen hadden bij convenant afspraken gemaakt over alimentatie gebaseerd op een bruto inkomen van circa €59.195 per jaar. De man had zijn baan bij Defensie opgezegd en was naar Bosnië vertrokken met verwachtingen een wellnesscentrum te exploiteren, wat niet is gerealiseerd. Hij keerde terug naar Nederland en verdiende sindsdien aanzienlijk minder.
De rechtbank had de bijdrage van de man met ingang van 1 januari 2013 op nihil gesteld. De vrouw ging hiertegen in hoger beroep, stellende dat geen relevante wijziging van omstandigheden was en dat de man zijn verdiencapaciteit niet volledig benut. Het hof oordeelde dat de man door eigen handelen een inkomensverlies had veroorzaakt dat niet herstelbaar bleek. De wijziging van omstandigheden was relevant en rechtvaardigde herbeoordeling.
Het hof stelde vast dat de man geen draagkracht heeft vanwege minimale inkomsten en hoge schuldenlast, en dat de wijziging voor zijn eigen risico komt. De bijdrage werd daarom terecht op nihil gesteld met ingang van 1 januari 2013. De grief van de vrouw werd verworpen en de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.