Uitspraak
1.[appellant 1],
[appellant 1],
[appellant 2],
[appellanten],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak staat centraal de vraag of een beroep op een arbitragebeding in een vennootschapsovereenkomst terecht is afgewezen door de rechtbank. De vennootschap onder firma werd aangegaan tussen appellant 1 en geïntimeerde, met een arbitrageclausule voor geschillenbeslechting. De rechtbank had het beroep op arbitrage afgewezen omdat geïntimeerde onvoldoende draagkracht zou hebben om de kosten van arbitrage te dragen, wat volgens de rechtbank strijdig was met redelijkheid en billijkheid.
Het hof stelt dat de rechtbank onterecht is uitgegaan van een te hoog kostenplaatje en dat geïntimeerde onvoldoende feiten heeft gesteld om het beroep op arbitrage terzijde te stellen op grond van artikel 6:248 BW Pro. Het hof overweegt dat met één arbiter en een gemiddeld tarief de kosten aanzienlijk lager zijn dan de rechtbank aannam, en dat de financiële situatie van geïntimeerde niet zonder meer op appellant 1 kan worden afgewenteld.
Het hof verklaart de rechtbank onbevoegd ten aanzien van de vordering tegen appellant 1 en verwijst de procedure tegen appellant 2, die geen partij is bij het arbitragebeding, naar de rechtbank Midden-Nederland. Tevens veroordeelt het hof geïntimeerde in de proceskosten aan de zijde van appellant 1. De uitspraak bevestigt het belang van het respecteren van geldige arbitragebedingen en beperkt de mogelijkheid om deze op grond van redelijkheid en billijkheid te negeren tot strikte uitzonderingen.
Uitkomst: Het hof verklaart de rechtbank onbevoegd ten aanzien van appellant 1 en bekrachtigt het vonnis ten aanzien van appellant 2 met verwijzing naar de rechtbank Midden-Nederland.