ECLI:NL:GHARL:2014:6968

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
9 september 2014
Publicatiedatum
9 september 2014
Zaaknummer
200.117.793-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:174 BWArt. 69 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot machtiging tot te gelde maken gemeenschappelijk goed vereist verzoekschriftprocedure

In deze civiele zaak stond een verzoek centraal van geïntimeerde om machtiging te verkrijgen tot het te gelde maken van een tussen partijen gemeenschappelijk goed, gegrond op artikel 3:174 BW Pro. In eerste aanleg was dit verzoek bij dagvaarding aanhangig gemaakt. Het hof constateerde dat dit niet de juiste procedure was.

Het hof benadrukte dat een dergelijk verzoek volgens de wettelijke regels via een verzoekschriftprocedure moet worden ingediend. Omdat tot dat moment geen verwijzing naar de verzoekschriftprocedure had plaatsgevonden, besloot het hof dit alsnog te doen op basis van artikel 69 Rv Pro. Hierdoor wordt de zaak voortgezet volgens de regels die gelden voor verzoekschriftprocedures.

De zaak werd verwezen naar een bevoegde kamer van het hof voor verdere behandeling conform de verzoekschriftprocedure. Hiermee werd de procedurele vorm correct hersteld, zonder inhoudelijke beslissing over het verzoek zelf. Het arrest werd uitgesproken op 9 september 2014 door de tweede kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.

Uitkomst: De zaak is verwezen naar een bevoegde kamer van het hof voor voortzetting volgens de verzoekschriftprocedure.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.117.793/01
(zaaknummer rechtbank Leeuwarden 117371/HA ZA 12-15)

arrest van de tweede kamer van 9 september 2014

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],
appellant,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna:
[appellant],
advocaat: mr. P.E. van der Werf, kantoorhoudende te Sneek,
tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna:
[geïntimeerde],
advocaat: mr. P. Rijnsburger, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 15 augustus 2012 van de rechtbank Leeuwarden, hierna te noemen de rechtbank.

Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure is als volgt:
- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 14 november 2012;
- de memorie van grieven;
- de memorie van antwoord met producties;
- de fournering van het procesdossier door [appellant] en de arrestbepaling door het hof.

De beoordeling

1.
Het hof constateert dat [geïntimeerde] een op art. 3:174 BW Pro gegrond verzoek om hem te machtigen tot het te gelde maken van een tussen partijen gemeenschappelijk goed in eerste aanleg bij dagvaarding aanhangig heeft gemaakt.
2.
Voor het doen een dergelijk verzoek dient evenwel naar het oordeel van het hof de verzoekschriftprocedure te worden gevolgd. Aangezien tot dusverre niet met toepassing van art. 69 Rv Pro. verwijzing van de zaak heeft plaatsgevonden, opdat de zaak kan worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure, zal het hof dat alsnog doen.

De beslissing

Het gerechtshof:
verwijst de zaak in de stand waarin deze zich bevindt, naar een tot de verdere behandeling van de zaak bevoegde kamer van dit hof teneinde te worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure.
Dit arrest is gewezen door mr. W. Breemhaar, mr. G. van Rijssen en mr. B.J.H. Hofstee en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 9 september 2014.