Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
arrest van de tweede kamer van 9 september 2014
[appellant],
[appellant],
[geïntimeerde],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond een verzoek centraal van geïntimeerde om machtiging te verkrijgen tot het te gelde maken van een tussen partijen gemeenschappelijk goed, gegrond op artikel 3:174 BW Pro. In eerste aanleg was dit verzoek bij dagvaarding aanhangig gemaakt. Het hof constateerde dat dit niet de juiste procedure was.
Het hof benadrukte dat een dergelijk verzoek volgens de wettelijke regels via een verzoekschriftprocedure moet worden ingediend. Omdat tot dat moment geen verwijzing naar de verzoekschriftprocedure had plaatsgevonden, besloot het hof dit alsnog te doen op basis van artikel 69 Rv Pro. Hierdoor wordt de zaak voortgezet volgens de regels die gelden voor verzoekschriftprocedures.
De zaak werd verwezen naar een bevoegde kamer van het hof voor verdere behandeling conform de verzoekschriftprocedure. Hiermee werd de procedurele vorm correct hersteld, zonder inhoudelijke beslissing over het verzoek zelf. Het arrest werd uitgesproken op 9 september 2014 door de tweede kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: De zaak is verwezen naar een bevoegde kamer van het hof voor voortzetting volgens de verzoekschriftprocedure.