Uitspraak
[appellante],
[geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond centraal of de Belgische koper de verplichting had om een in Nederland gekochte auto in België te registreren, zodat de Nederlandse verkoper de rest-BPM kon terugkrijgen. Het hof nam het tussenarrest van 11 maart 2014 over en hield op 10 juni 2014 een getuigenverhoor.
Getuigen van beide partijen bevestigden het telefoongesprek waarin de koop tot stand kwam. De werknemer van de verkoper verklaarde dat het gebruikelijk was dat de koper de auto in België registreerde en daarvan bewijs aan de verkoper zou sturen. De werknemer van de koper gaf aan niet bekend te zijn met BPM-regelingen en stelde dat geen registratieverplichting was overeengekomen of vastgelegd in het contract.
Het hof concludeerde dat de koper niet duidelijk begreep dat registratie een verplichting was en dat de verkoper onvoldoende concrete aanwijzingen gaf dat de koper deze taak op zich nam. De enkele toezending van een aanvraagformulier was onvoldoende bewijs. Hierdoor was niet komen vast te staan dat partijen een dergelijke registratieplicht waren overeengekomen.
Het hof vernietigde de vonnissen van de rechtbank Zwolle-Lelystad en wees de vorderingen van de koper af, met veroordeling van de koper in de proceskosten.
Uitkomst: Het hof wijst de vorderingen af omdat niet bewezen is dat de koper de auto in België moest registreren voor BPM-teruggave.