In deze zaak stond de vaststelling van de kinderalimentatie centraal. De man en vrouw zijn ouders van een minderjarig kind, waarbij de man een eenmanszaak voert met wisselende winst. De rechtbank had eerder een bijdrage van €300 per maand vastgesteld, waartegen de man in hoger beroep ging met vier grieven.
Het hof beoordeelde de behoefte van het kind en bracht het kindgebonden budget in mindering, waardoor de behoefte op €236 per maand werd vastgesteld. De draagkracht van de man werd berekend op basis van zijn netto besteedbaar inkomen, rekening houdend met fiscale kortingen en aftrekken, en kwam uit op €197 per maand. Daarnaast werd een zorgkorting van 15% toegepast, maar deze kon niet volledig worden verzilverd vanwege een tekort aan draagkracht bij beide ouders.
Het hof besloot de draagkracht van de man gelijkelijk te verdelen over zijn twee kinderen, omdat onvoldoende gegevens over het andere kind beschikbaar waren. Uiteindelijk werd de bijdrage van de man vastgesteld op €91 per maand met ingang van 5 april 2013. De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij elke partij haar eigen kosten draagt.