ECLI:NL:GHARL:2014:7192

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
16 september 2014
Publicatiedatum
17 september 2014
Zaaknummer
14/00112
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 8:41a AwbArt. 22j Algemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid beroep en toerekening pensioenbetaling

Belanghebbende was het niet eens met een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2010, waarbij een betaling van €15.000 van Stichting [B] was meegenomen. De rechtbank verklaarde zijn beroep niet-ontvankelijk. Belanghebbende stelde dat het beroep ten onrechte was afgewezen en dat de betaling deels aan zijn echtgenote moest worden toegerekend en over meerdere jaren verdeeld.

Het Hof oordeelde dat de brief van belanghebbende aan de Staatssecretaris van Financiën als beroepschrift had moeten worden aangemerkt en dat het beroep dus ontvankelijk was. Vervolgens behandelde het Hof het geschil inhoudelijk. Het verwierp de stelling dat een deel van de betaling aan de echtgenote toekomt, omdat alleen belanghebbende pensioenrechten had opgebouwd. Ook wees het Hof het verzoek af om de betaling over meerdere jaren te verdelen, omdat de wet dit niet toestaat.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd en het door belanghebbende betaalde griffierecht werd door de Inspecteur vergoed. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.

Uitkomst: Het beroep is ontvankelijk maar inhoudelijk ongegrond verklaard; de aanslag blijft ongewijzigd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht
Locatie Arnhem
nummer 14/00112
uitspraakdatum:
16 september 2014
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 16 januari 2014, nummer AWB 13/4330, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Utrecht-Gooi/Kantoor Utrecht(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1
Aan belanghebbende is voor het jaar 2010 een aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 48.729. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 249.
1.2
Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
1.3
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen. Rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) heeft het beroep bij uitspraak van 16 januari 2014 niet-ontvankelijk verklaard.
1.4
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
1.5
Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.
1.6
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juli 2014 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door zijn echtgenote, alsmede [A] namens de Inspecteur.
1.7
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2.De vaststaande feiten

2.1
Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2010 een bedrag van € 38.925 aangegeven als belastbaar loon en/of uitkering.
2.2
De Inspecteur heeft bij brief van 15 november 2012 belanghebbende in kennis gesteld van zijn voornemen om af te wijken van de aangifte in verband met een betaling van € 15.000 van Stichting [B]. De betaling houdt verband met door belanghebbende gestelde tekortkomingen in zijn pensioenopbouw.
2.3
Met dagtekening 24 januari 2013 is de aanslag IB/PVV 2010 aan belanghebbende opgelegd waarbij het belastbare inkomen uit werk en woning is vastgesteld op € 48.729. Bij de vaststelling van de aanslag is – onder meer – rekening gehouden met de in 2.2 bedoelde betaling.
2.4
Belanghebbende heeft tegen voormelde aanslag bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft het bezwaar bij uitspraak met dagtekening 19 april 2013 afgewezen.
2.5
Op 24 april 2013 heeft belanghebbende bij brief, gericht aan de Inspecteur, gereageerd op de uitspraak op bezwaar.
2.6
Op 6 mei 2013 heeft de Inspecteur belanghebbende een brief gestuurd met daarin de vraag of de reactie van belanghebbende van 24 april 2013 op de uitspraak op bezwaar al dan niet moet worden aangemerkt als daartegen gericht beroepschrift.
2.7
Op 9 mei 2013 geeft belanghebbende aan dat zijn brief van 24 april 2013 niet als beroepschrift moet worden aangemerkt omdat belanghebbende zich vooralsnog niet tot de Rechtbank wil wenden.
2.8
Op 11 mei 2013 heeft belanghebbende een brief naar de Staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) gestuurd met daarin onder andere de tekst: “
Ik vraag u om een persoonlijk gesprek, ik vraag u om een herziening van een onrechtvaardig en oneerlijk besluit van uw belastingdienst.
2.9
De Staatssecretaris reageert hierop bij brief van 9 juli 2013 met daarin onder andere de tekst: “
De feiten en omstandigheden die u noemt in uw brief komen overeen met de feiten en omstandigheden uit uw brieven van 14 juli 2012 en van 9 augustus 2012. Er zijn ook geen andere ontwikkelingen die aanleiding geven tot een heroverweging. Ik kom daarom niet aan uw verzoek tegemoet.
2.1
Bij brief van 11 juli 2013 heeft belanghebbende gereageerd op het schrijven van de Staatssecretaris van 9 juli 2013.
2.11
Op 19 juli 2013 reageert de Staatssecretaris op voormelde brief van belanghebbende met onder andere de volgende tekst: “
Uw eerdere brieven over dit onderwerp zijn al gemotiveerd beantwoord. Daarom ga ik niet meer in op de inhoud van uw brief.
2.12
Op 22 juli 2013 gaat belanghebbende bij digitaal bericht in beroep bij de Rechtbank tegen de brief van de Staatssecretaris van 19 juli 2013.

3.Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen3.1 In geschil is het antwoordt op de vraag of de Rechtbank het beroep van belanghebbende ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verder is in geschil het antwoordt op de vraag of de betaling van € 15.000 van Stichting [B] over meerdere jaren moet worden verdeeld en of een gedeelte van die betaling (26 percent) kan worden toegekend aan de echtgenote van belanghebbende.

3.2
Belanghebbende beantwoordt voormelde vragen bevestigend, de Inspecteur ontkennend.
3.3
Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4.Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid
4.1
Ingevolge artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Op grond van artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, aanhef en onderdeel a. vangt deze termijn, in afwijking van artikel 6:8 van Pro de Awb, aan met ingang van de dag na die van dagtekening van de uitspraak op bezwaar, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, tweede lid, van de Awb).
4.2 De onderhavige uitspraak op bezwaar is gedagtekend op 19 april 2013, terwijl door belanghebbende niet is gesteld dat voormelde uitspraak op bezwaar ná deze datum bekend is gemaakt. De termijn voor het indienen van het beroepschrift eindigde derhalve op 31 mei 2013.
4.3
Het Hof is van oordeel dat uit de brief van belanghebbende van 11 mei 2013 gericht aan de Staatssecretaris kan worden afgeleid dat belanghebbende zich niet wenste neer te leggen bij de uitspraak op het bezwaarschrift van de Inspecteur. Uit de ter zitting gegeven toelichting van belanghebbende begrijpt het Hof dat belanghebbende beroep wenste in te stellen en daarvan alleen zou afzien als de Staatssecretaris voor hem in gunstige zin zou beslissen. Onder deze omstandigheden had de Staatssecretaris de brief van belanghebbende als beroepschrift moeten doorsturen naar de Rechtbank. De Rechtbank heeft dit echter niet onderkend en heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Niet bekend is op welke datum de brief is ontvangen door de Staatssecretaris. Nu de beroepstermijn eindigde op 31 mei 2013 en de brief is gedateerd op 11 mei 2013 acht het Hof het aannemelijk dat de brief vóór 31 mei 2013 door de Staatssecretaris is ontvangen. Het beroep is derhalve ontvankelijk.
4.4
Nu het beroep van belanghebbende ontvankelijk is en over de feiten – zoals ter zitting door belanghebbende is verklaard – geen verschil van mening bestaat, zal het Hof op de voet van artikel 8:41a van de Awb en op verzoek van belanghebbende zelf in de zaak voorzien en de zaak niet ter behandeling terugwijzen naar de Rechtbank.
Ten aanzien van het materiële geschil
4.5
Belanghebbende is van mening dat een deel van de betaling – 26 percent – van € 15.000 aan zijn echtgenote moet worden toegerekend. Het Hof volgt deze mening niet nu alleen belanghebbende in loondienst werkzaam is geweest ter zake waarvan de pensioenrechten zijn opgebouwd en aan zijn echtgenote in het kader daarvan geen zelfstandige, aan haar toekomende pensioenrechten zijn toegekend. Het Hof is dan ook van oordeel dat het gehele bedrag is toe te rekenen aan belanghebbende (vgl. Hoge Raad 21 maart 2014, nr. 12/05924, ECLI:NL:HR:2014:633).
4.6
De stelling van belanghebbende dat de betaling moet worden verspreid over meerdere jaren kan evenmin slagen. De wet biedt geen ruimte om in dit geval de betaling aan andere jaren toe te rekenen dan het jaar waarin deze is genoten. De door belanghebbende gewenste verdeling kan dan ook niet plaatsvinden. Dat de wettelijke middelingsregeling, zoals belanghebbende heeft aangevoerd, in dit geval geen soelaas biedt, doet daaraan niet af.
4.7
Het hoger beroep wordt mede geacht betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu de aanslag in stand blijft, is voor een vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente geen plaats.
Slotsom
De uitspraak van de Rechtbank kan niet in stand blijven. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep ongegrond verklaren.

5.Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof:
- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;
- verklaart het beroep tegen de uitspraak van de Inspecteur ongegrond;
- gelast de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 44 bij de Rechtbank en € 118 bij het Hof, te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.P.M. Kooijmans, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. E. Polak, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.
De beslissing is op
16 september 2014in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(A. Vellema)
(J.P.M. Kooijmans)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 17 september 2014
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH Den Haag.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.