Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 8 november 2012, nrs. 11/00677 en 11/00678, betreffende aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Hoge Raad
Belanghebbende, gehuwd en met een ouderdomspensioen opgebouwd bij een bedrijf, had de helft van zijn pensioenrechten via een notariële cessie aan zijn echtgenote overgedragen. De stichting die het pensioen beheert, erkende deze cessie. In 2005 en 2006 werden pensioenuitkeringen gedaan, die belanghebbende en zijn echtgenote ieder voor de helft aangaven bij hun belastingaangifte.
De Belastingdienst nam de volledige pensioenuitkering echter als belastbaar inkomen uit werk en woning bij belanghebbende in aanmerking. Zowel de Rechtbank als het Gerechtshof bevestigden deze heffing. Belanghebbende stelde in hoger beroep dat de uitkeringen verdeeld moesten worden en voerde daarnaast aan dat de fiscale behandeling discriminerend was en dat hij zich op het vertrouwensbeginsel kon beroepen.
De Hoge Raad oordeelde dat pensioenuitkeringen als loon uit dienstbetrekking uitsluitend bij de persoon die de arbeid heeft verricht, in dit geval belanghebbende, worden belast. De cessie aan de echtgenote leidt niet tot een fiscale splitsing van het inkomen. Het beroep op discriminatie op grond van het VWEU en EVRM werd verworpen omdat gehuwden en gescheiden personen niet gelijk zijn in deze context. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde eveneens. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de pensioenuitkeringen volledig bij belanghebbende worden belast.