Uitspraak
[appellant],
[geïntimeerde],
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
"dat het Uw Hof ( zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden) behage appellant in zijn vorderingen in hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren, althans het vonnis van 17 juli 2013 gewezen door kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland, Locatie Lelystad, Afdeling civielrecht, tussen geïntimeerde als gedaagde in Conventie en eiser in Reconventie en appellant als eiser in Conventie en gedaagde in reconventie onder zaak en rolnummer 632005 CV EXPL 12-14349 te bekrachtigen, met appellant in de kosten van beide instanties."
3.De beoordeling
grief Istelt [appellant] dat hij het concurrentiebeding niet heeft overtreden omdat hij niet betrokken is geweest bij een gelijk of gelijksoortig bedrijf als door [X] werd geëxploiteerd. Voorts stelt hij dat [geïntimeerde] is actief op het terrein van bedrijfshulpverlening en [appellant] op advisering op het gebied van brandveiligheid Voor een daadwerkelijke betrokkenheid bij een bedrijf is bovendien meer nodig dan het verrichten van een enkele klus, aldus [appellant]. [appellant] heeft voorts nog gesteld dat [geïntimeerde] de orderportefeuille met betrekking tot brandpreventie na het sluiten van de beëindigingsovereenkomst heeft verkocht. Volgens [appellant] heeft hij uitsluitend (summiere) werkzaamheden op
ditgebied verricht.
4.De beslissing
23 september 2014.