ECLI:NL:GHARL:2014:741

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
4 februari 2014
Publicatiedatum
4 februari 2014
Zaaknummer
200.138.800
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 798 lid 1 RvArt. 1:261 lid 1 BWArt. 1:263 lid 2 BWArt. 1:377g BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid vader in verzoek tot verlenging machtiging uithuisplaatsing kind

De zaak betreft het hoger beroep van de vader tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van zijn minderjarige kind, [kind 1]. De moeder is belast met het ouderlijk gezag en het kind verblijft sinds enige tijd in een gezinshuis. De vader had een omgangsregeling maar oefent geen gezag uit.

In eerste aanleg werd de machtiging tot uithuisplaatsing door de kinderrechter verleend en meerdere malen verlengd. De vader betwistte deze verlenging en stelde zich ontvankelijk in zijn verzoek tot hoger beroep.

Het hof overwoog dat op grond van artikel 798 lid 1 Rv Pro en artikel 1:261 BW Pro alleen de gezagsdrager of degene die het kind als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt als belanghebbende kan worden aangemerkt. Omdat de vader niet het gezag heeft en het kind niet als behorend tot zijn gezin verzorgt, kan hij niet als belanghebbende worden beschouwd.

Daarom verklaarde het hof de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot hoger beroep tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. De beschikking werd in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2014.

Uitkomst: De vader is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van zijn kind.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.138.800
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 341090)
beschikking van de familiekamer van 4 februari 2014
inzake
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de vader,
advocaat: mr. T. de Deugd te Haarlem,
en
Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht,
gevestigd te Utrecht,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de stichting.
Als overige belanghebbende is aangemerkt:
[belanghebbende],
wonende te [woonplaats],
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. R.F.P. Scheele te Capelle aan den IJssel.

1.Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 26 april 2013 en 16 september 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2.Het geding in hoger beroep

2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het beroepschrift, ingekomen op 13 december 2013;
- het verweerschrift, ingekomen op 2 januari 2014;
- een journaalbericht van mr. De Deugd met bijlagen, ingekomen op 10 januari 2014.
2.2
De mondelinge behandeling heeft op 23 januari 2014 plaatsgevonden. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de stichting zijn [...], gezinsvoogd, en [...], teammanager, verschenen. Namens de moeder is haar advocaat verschenen. Namens de Raad voor de Kinderbescherming (verder: de raad) is [...] verschenen.
2.3
Na de mondelinge behandeling is op 23 januari 2014 met toestemming van het hof ingekomen een faxbericht van de stichting met als bijlage het indicatiebesluit van [kind 1] van 18 maart 2013.

3.De vaststaande feiten

3.1
Uit de - inmiddels beëindigde - relatie van de ouders is op [geboortedatum] 2003 geboren [kind 1], verder te noemen [kind 1].
De moeder is van rechtswege belast met het gezag over [kind 1].
3.2
Uit de moeder is voorts geboren [kind 2], op [geboortedatum] 2006, verder te noemen [kind 2].
3.3
Uit een eerdere relatie van de vader is op [geboortedatum] 1999 geboren [kind 3].
3.4
Bij beschikking van 7 mei 2010 heeft de kinderrechter in de rechtbank Utrecht, op verzoek van de raad, [kind 1] onder toezicht gesteld van de stichting voor de duur van één jaar, welke termijn laatstelijk is verlengd bij beschikking van 24 april 2013 tot 7 mei 2014.
3.5
Bij beschikking van 10 juni 2011 heeft de kinderrechter de stichting gemachtigd [kind 1] uit huis te plaatsen voor de termijn van één jaar.
3.6
Bij beschikking van 8 september 2011 heeft de kinderrechter de stichting gemachtigd [kind 1] te plaatsen in een voorziening voor verblijf accommodatie zorgaanbieder 24-uurs met ingang van 10 september 2011 tot 7 mei 2012, laatstelijk verlengd bij beschikking van 4 mei 2012 tot 7 mei 2013.
3.7
Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 16 september 2013 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind 1] in een voorziening voor verblijf accommodatie zorgaanbieder 24-uurs verlengd met ingang van 7 november 2013 tot 7 mei 2014.
3.8
Tot de uithuisplaatsing was [kind 1] woonachtig bij de moeder en had hij een omgangsregeling met de vader. Met ingang van 10 februari 2011 ging [kind 1] vier dagen per week naar de naschoolse behandeling bij De Waaijer (Lijn 5 Meerwijck). Op 10 juni 2011 is [kind 1] geplaatst bij de crisisopvang COZU. Op 21 juni 2011 is [kind 1] geplaatst bij oma. Op 1 augustus 2011 is [kind 1] geplaatst bij Kinabu (perspectief thuis groep). Ten slotte, op 30 januari 2013, is [kind 1] geplaatst in een gezinshuis Nieuw-Maliesteyn van het Leger des Heils, waar hij thans nog verblijft. [kind 1] heeft momenteel zowel met de moeder als met de vader een omgangsregeling.

4.De motivering van de beslissing

4.1
Allereerst is aan de orde de vraag of de vader kan worden ontvangen in zijn verzoek.
4.2
Ingevolge artikel 798 lid 1 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) wordt onder “belanghebbende” in andere dan scheidingszaken verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft.
4.3
Ingevolge artikel 1:261 lid 1 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter de stichting op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Ook de raad en het openbaar ministerie kunnen de kinderrechter verzoeken een machtiging te verlenen.
4.4
De maatregel van uithuisplaatsing is een gezagsbeperkende maatregel die door de kinderrechter kan worden uitgesproken indien aan de voorwaarden van artikel 1:261 BW Pro wordt voldaan. Alleen de uit het gezag over het kind voortvloeiende rechten en verplichtingen van dat kind, van de ouders die het gezag over dit kind uitoefenen en van anderen die het kind als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden, zijn betrokken bij deze maatregel.
4.5
Dit betekent in een geval als het onderhavige dat, naast de stichting, de raad en het openbaar ministerie ingevolge artikel 1:261 lid 1 BW Pro, slechts de met het gezag belaste ouder of ouders en een ander die het minderjarige kind als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, als belanghebbenden in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro worden beschouwd, en het kind zelf, mits dit twaalf jaren of ouder is (artikel 1:263 lid 2 BW Pro), onverminderd in geval van een jonger kind, de toepassing van artikel 1:377g BW (Hoge Raad 21 mei 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7043).
4.6
Vaststaat dat de vader niet is belast met het ouderlijk gezag over [kind 1]. Voorafgaand aan de uithuisplaatsing woonde [kind 1] bij de moeder en had hij een omgangsregeling met de vader. Dit laatste maakt evenwel niet dat [kind 1] (mede) door de vader als behorend tot zijn gezin is of werd verzorgd en opgevoed. Hieruit volgt dat de vader niet als belanghebbende in de zin van artikel 798 lid 1 Rv Pro kan worden aangemerkt. Het hof is dan ook van oordeel dat de vader niet in zijn verzoek in hoger beroep kan worden ontvangen.

5.De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek in hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Laurentius-Kooter, A. Smeeïng-van Hees en M.A.J.S. de Vries Robbé-de Roy van Zuydewijn, bijgestaan door mr. M. van Esveld als griffier, en is op 4 februari 2014 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.