Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Het geschil betreft de ondertoezichtstelling van vier minderjarige kinderen, waarbij de moeder in hoger beroep stelt dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is omdat de kinderen hun gewone verblijfplaats in Marokko hebben. Het hof onderzoekt de internationale bevoegdheid en het toepasselijke recht, waarbij het de Nederlandse rechter bevoegd acht op grond van Brussel II-bis en het feit dat de kinderen op het moment van het verzoek hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden.
De moeder voert aan dat de kinderen sinds juli 2013 in Marokko wonen en daar zijn ingeschreven, maar het hof acht deze stelling ongeloofwaardig gezien de inschrijving van de moeder in Nederland, het ontbreken van bewijs van schoolbezoek in Marokko en het feit dat de gezinsvoogd constateert dat de huurwoning in Nederland bewoonbaar lijkt en niet verlaten.
De Raad voor de Kinderbescherming en de Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht voeren aan dat er sprake is van ernstige bedreiging van de belangen van de kinderen, waaronder cognitieve en sociaal-emotionele problematiek en vermoedens van huiselijk geweld. De moeder zou niet meewerken aan hulpverlening en de situatie van de kinderen is onduidelijk en zorgelijk.
Het hof concludeert dat de ondertoezichtstelling gerechtvaardigd is en bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter, waarbij het Nederlandse recht van toepassing is. De beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ondertoezichtstelling en verklaart de Nederlandse rechter bevoegd ondanks het betwiste verblijf van de kinderen in Marokko.