De zaak betreft een geschil tussen broer en zussen over de afwikkeling van de nalatenschappen van hun ouders die in gemeenschap van goederen waren gehuwd. De vader had in 1977 en 1992 percelen grond aan één van de kinderen verkocht tegen een prijs die volgens de belastingdienst lager was dan de marktwaarde. De vraag was of deze verkoop een gift inhield die bij de berekening van de legitieme portie van de zussen in aanmerking moest worden genomen.
De rechtbank had geoordeeld dat er geen sprake was van een gift die moest worden meegenomen bij de legitieme portie en veroordeelde de broer tot betaling van erfdeel en legitieme portie aan zijn zussen. Het hoger beroep richtte zich op de vraag of de verkoop als een gift moest worden aangemerkt.
Het hof oordeelde dat de vraag of er sprake was van een gift niet relevant was voor de nalatenschapsafwikkeling, omdat de gift door de vader was gedaan en in zijn testament was bepaald dat schenkingen niet behoefden te worden ingebracht. De zussen hadden geen beroep gedaan op de legitieme portie in de nalatenschap van de vader en de termijn daarvoor was inmiddels verstreken. De gift kon niet worden toegerekend aan de moeder, ondanks het huwelijk in gemeenschap van goederen.
Daarom had de appellant geen belang bij het hoger beroep en werd dit verworpen. De kosten van het hoger beroep werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.