In deze civiele zaak vordert appellant terugbetaling van een bedrag van €25.000,- dat hij aan geïntimeerde en haar echtgenoot heeft verstrekt voor een stamcelbehandeling in China. De rechtbank wees de vordering af wegens verjaring. Appellant stelt dat het om een renteloze geldlening ging zonder vaste terugbetalingstermijn, waardoor de verjaring pas begint na opeising.
Het hof bevestigt dat het hier gaat om een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd, zodat de verjaringstermijn pas start vanaf de dag na de eerste opeising. Omdat appellant pas in 2012 tot opeising is overgegaan, is de vordering nog niet verjaard. Het hof wijst het beroep op verjaring door geïntimeerde af.
Vervolgens gaat het hof inhoudelijk in op het geschil over het bestaan van de geldleningsovereenkomst. Geïntimeerde betwist dat er een lening is verstrekt en stelt dat het om een schenking gaat. Het hof wijst erop dat appellant de bewijslast draagt voor het bestaan van de lening en geeft hem de gelegenheid om dit bewijs te leveren, onder meer door getuigenverhoor.
De verdere beslissing wordt aangehouden totdat appellant het bewijs heeft geleverd. Het arrest is gewezen door drie raadsheren en op 11 november 2014 in het openbaar uitgesproken.