Partijen waren gehuwd in algehele gemeenschap van goederen en zijn in 2009 gescheiden. De voormalige echtelijke woning, vrij van hypotheek, werd vanaf 2010 te koop gezet en meerdere malen in prijs verlaagd. Appellant heeft de woning vanaf maart 2010 tot de toedeling in januari 2014 alleen gebruikt, terwijl geïntimeerde elders woonruimte had.
Geïntimeerde vorderde een gebruiksvergoeding gebaseerd op 4% van de overwaarde van de woning vanaf 1 januari 2010. De rechtbank wees deze vordering deels toe, maar appellant stelde onder meer dat de vergoeding niet redelijk was gezien zijn inkomen en dat de vergoeding niet over de volledige waarde van de woning berekend mocht worden.
Het hof oordeelde dat appellant vanaf 1 maart 2010 tot 6 januari 2014 een gebruiksvergoeding verschuldigd is, berekend over de helft van de waarde van de woning, met een aangepast percentage van 2,5% vanwege de economische omstandigheden. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant tot betaling van de gebruiksvergoeding over de genoemde periodes, met wettelijke rente en compensatie van eigen proceskosten door beide partijen.