Uitspraak
1.Vaststelling feitelijke gang van zaken en uitgangspunten ontneming
huur door De Stichtingvan de in aanbouw zijnde kantoorvilla “[kantoorgebouw]” van [bedrijf2], gelegen in het [gebied] te [plaats 2]. De beide brieven zijn wat inhoud betreft gelijkluidend, behoudens op het onderdeel van “de huisvestingsbijdrage” op de derde bladzijde.
Huisvestingsbijdrage: Indien [Stichting] gebruik maakt van bovenstaande huisvestingsmogelijkheid binnen kantoorgebouw “[kantoorgebouw]”, stelt [bedrijf2] een financiële compensatie beschikbaar ten bedrage van f 1.300.000. Deze compensatie wordt betaalbaar gesteld per 1 september 2002 en kan vrij door [Stichting] worden besteed”.
Hierbij bevestigen wij de inhoud van onze bespreking van 15 oktober j.l. (…)
Met begeleidende brief d.d. 20 november 2001 zonden wij u onder meer de huurovereenkomst en koopovereenkomst voor bovengenoemd pand. Van deze overeenkomsten maakt onverbrekelijk onderdeel uit de verkoop van het pand door [bedrijf2] aan [bedrijf4] De koopsom ad NLG 1.462.499,-- exclusief B.T.W. is gebaseerd op mijn fax aan de heer [medewerker notariskantoor] d.d. 9 november 2001, referentie [nummer], waarvan u bijgaand een afschrift aantreft. Op voorwaarde dat de huurovereenkomsten voor de [adres] en kantoorgebouw “[kantoorgebouw]” te [plaats 2], die reeds in uw bezit zijn, worden getekend bevestigt [bedrijf2] het pand [adres] te [plaats 1] terug te leveren aan [bedrijf4] overeenkomstig de bepalingen van de conceptovereenkomst d.d. 2 november 2001, referentie [nummer], welke u en ons op 22 november 2001 door de heer [medewerker notariskantoor] van notariskantoor [notariskantoor] is toegezonden.”
Overeenkomst d.d. 2 januari 2003 [bedrijf4] en [bedrijf6]
Facturering [bedrijf7]
€ 56.000,--(excl. BTW) naar [bedrijf4], heeft gestuurd, welke factuur op 19 januari 2006 is betaald (D3-034 en D3-034a).
Facturering [bedrijf10]
€ 35.000,--(excl. BTW), naar [bedrijf4] heeft gestuurd. Deze factuur is op 31 januari 2006 betaald (D3-035 en D3-035a).
Facturen aannemer [directeur bedrijf8]
€ 90.756,--(€ 36.378,-- en € 54.378,--), exclusief BTW, verstuurd aan [bedrijf] ter attentie van [veroordeelde].
Ik verwachtte dat iemand wel om het geld zou komen. Ik denk dat ik geen aanspraak op het geld kon maken'.
€ 270.000,--respectievelijk
€ 56.000,--en
€ 35.000,--(telkens excl. BTW) toebedeeld gekregen heeft. Het hof acht het voorts aannemelijk dat [medeveroordeelde] zijn deel van het aan [veroordeelde] toegeschoven voordeel uit de huisvestingsbijdrage door onder meer de betaling van voornoemde 2 fictieve facturen aan aannemer [directeur bedrijf8] van in totaal
€ 90.756,--(excl. BTW) toebedeeld gekregen heeft.
2.Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel
verkoper([bedrijf]) komen. De transportkosten en overdrachtsbelasting, bedroegen in totaal NLG. 178.308,64 / € 80.912,89 (excl. BTW). [bedrijf] heeft derhalve uit de verkoop van het pand een bedrag van € 1.361.340,-- minus € 80.912,89 =
€ 1.280.427,11ontvangen.
NLG 1.462.499,-- / € 663.653,11.
Bij de berekening van het bedrag van NLG 1.462.499,-- is rekening gehouden met de verhuur van het pand door [bedrijf] alsmede het renteverlies van [bedrijf2]. Zo is enerzijds de verhuur van het pand voor de duur van vier maanden, zijnde een bedrag van NLG 95.693,15 (118/365 x NLG 296.000,--) op de terugkoopprijs van NLG 1.500.000, in mindering gebracht. Anderzijds heeft [bedrijf2] door de koop van het pand aan de [adres] een rentenadeel geleden in de periode van 3 december 2001 tot en met 1 april 2002, hetgeen door [bedrijf2] is gewaardeerd op 118/365 x 0,06 x NLG 3.000.000,--, zijnde een bedrag van NLG 58.191,60 (D3-030). Dit bedrag is vervolgens opgeteld bij de terugkoopprijs.
De terugkoopprijs van NLG 1.462.499,-- is derhalve opgebouwd uit: NLG 3.000.000,-- minus NLG 1.500.000,-- minus de door [bedrijf] betaalde huursom van NLG 95.693,15 vermeerderd met het door [bedrijf2] geleden rentenadeel van NLG 58.191,60.
koper([bedrijf5]) zijn. Partijen zijn voorts overeengekomen dat ingeval koper zich kan beroepen op vermindering van de gehele of een gedeelte van de maatstaf van heffing, een en ander als bedoeld in artikel 13 van Pro de Wet op Belastingen van Rechtsverkeer (hierna: WBR), het aldus te verkrijgen voordeel voor koper, door koper dient te worden vergoed aan verkoper. Dit betekent, de akten van levering tussen [bedrijf] en [bedrijf2] en [bedrijf2] en [bedrijf5] in onderling verband bezien, dat de gehele maatstaf van heffing in de transactie tussen [bedrijf2] en [bedrijf5] op grond van artikel 13 WBR Pro is vrijgesteld, immers de maatstaf van heffing in de transactie tussen [bedrijf] en [bedrijf2], waarmee de maatstaf van heffing in de transactie tussen [bedrijf2] en [bedrijf5] mocht worden verminderd, is hoger dan de door [bedrijf5] aan [bedrijf2] verschuldigde koopprijs. De vergoedingsplicht voor [bedrijf5], zoals opgenomen onder bepaling C.1.1. bedraagt mitsdien 6% x € 663.653,11 =
€ 39.819,18. Koper, [bedrijf5], heeft dit bedrag voldaan door storting op een rekening van de notaris. [bedrijf2] heeft [bedrijf5] hiervoor kwitantie verleend.
€ 703.472,29heeft voldaan aan [bedrijf2], te weten de koopprijs van € 663.653,11 vermeerderd met de vergoeding aan [bedrijf2] van € 39.819,18.
€ 90.756,-- +
€ 451.756,--/NLG 995.539,21.
€ 125.198,90/ NLG 275.902,07.
€ 43.193,62. Het hof zal het wederrechtelijk verkregen voordeel derhalve verminderen met voornoemd bedrag.
€ 82.005,28/ NLG 180.715,86.
3.De verplichting tot betaling aan de Staat
€ 82.005,28/ NLG 180.715,86.
€ 82.005,28 (tweeëntachtigduizend en vijf euro en achtentwintig eurocent).
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 82.005,28 (tweeëntachtigduizend en vijf euro en achtentwintig eurocent).