Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
in haar hoedanigheid van enig beherend vennoot van
wonende te [woonplaats geïntimeerde],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de opzegging van een cursusovereenkomst door appellante rechtsgeldig was en welke vergoeding geïntimeerde daarop kon baseren. Het hof bevestigde dat de opzegging door appellante op 30 oktober 2002 geldig was, ondanks betwisting door geïntimeerde. Het hof kwalificeerde de overeenkomst als een overeenkomst van opdracht volgens Titel 7 Boek 7 BW.
Geïntimeerde stelde aanspraak te maken op volledige betaling van het cursusgeld minus bespaarde kosten, maar kon haar vaste en variabele kosten onvoldoende specificeren en onderbouwen. Daarom wees het hof haar subsidiaire vordering af. Appellante had reeds het inschrijfgeld en lesgeld voor de eerste maand betaald en volgde daarna enkele lessen.
Het hof oordeelde dat het cursusgeld voor die eerste maand niet onverschuldigd was betaald en wees de vordering van appellante tot terugbetaling van dat bedrag af. Wel veroordeelde het hof geïntimeerde tot betaling van € 2.310 wegens onverschuldigde betaling van opleidingskosten. Het vonnis van de rechtbank werd vernietigd, de vorderingen in conventie afgewezen en in reconventie gedeeltelijk toegewezen. Tevens werd geïntimeerde veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering van appellante af en veroordeelt geïntimeerde tot betaling van € 2.310 aan appellante.