Conclusie
2.Procesverloop
Grief 4:
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Heesakkers/Voets, [3] alsmede naar het arrest van het Hof van Justitie EU in de zaak
Asbeek Brusse [4] waarin is uitgemaakt dat huurovereenkomsten tussen bedrijfsmatige verhurende partijen en particulieren ook onder de werking van de Richtlijn vallen en dat boetebedingen in huurovereenkomsten, waarvan de rechter heeft vastgesteld dat deze oneerlijk zijn in de betekenis van de richtlijn, niet gematigd mogen worden maar buiten toepassing verklaard moeten worden. Naar aanleiding van het arrest
Asbeek Brusseheeft het hof Amsterdam, welk hof de prejudiciële vragen aan het HvJ had gesteld, een boeteclausule in een huurovereenkomst woonruimte buiten toepassing gelaten en de boetevordering afgewezen.
Asbeek Brusse. Aangenomen moet worden dat het beding in de Algemene Huurvoorwaarden geen voorwerp is geweest van afzonderlijke onderhandelingen (art. 3 Richtlijn Pro). Het boetebeding is voorts geen beding waarin, kort gezegd, dwingend recht is overgenomen (art. 1 lid 2 Richtlijn Pro) en ook geen kernbeding (art. 4 lid 2 Richtlijn Pro).
Asbeek Brusseworden beoordeeld los van de door art. 6:94 lid 1 BW Pro geboden mogelijkheid tot matiging van de bedongen boete. Artikel 6, lid 1, Richtlijn brengt mee dat de rechter die heeft vastgesteld dat een boetebeding in een overeenkomst tussen een verkoper en een consument oneerlijk is, er niet mee mag volstaan de hoogte van de ingevolge dat beding aan die consument in rekening gebrachte boete te matigen, maar is zonder meer verplicht dat beding voor de consument ‘buiten toepassing te laten’. [6]
Asbeek Brusse:
Eerste tot en met derde en zevende vraag
.Dit geldt zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, wat het laatste betreft met inachtneming van hetgeen hiervoor in 3.6.3 is overwogen.
Heesakkers/Voetsis Lock ingegaan op het gebruik van de begrippen ‘omvang van de het hoger beroep’, ‘het door de grieven ontsloten gebied’ en ‘de grenzen van de rechtsstrijd’, en heeft in doet verband gesproken van terminologische verwarring. [14] Ik vat de stand van zaken samen.
Heesakkers/Voetswordt met ‘de grenzen van de rechtsstrijd’ gedoeld op de ‘omvang van het hoger beroep’, in de zin van de vorderingen waartegen in hoger beroep is opgekomen en waarover de appelrechter bevoegd is een beslissing te geven. [15] Het begrip wordt in deze betekenis ook gebruikt in rov. 3.7, eerste volzin, en in rov. 3.8 van
Beermann/Dexia.
Heesakkers/Voetsen rov. 3.7, tweede volzin, van
Beermann/Dexia). Een verklaring is wederom dat de Richtlijn bepalingen bevat die in dit verband hebben te gelden als van openbare orde. Men kan ook zeggen dat de rechter bij dit onderzoek niet is gebonden aan de door de art. 24-25 en 149 lid 1, tweede volzin, Rv gestelde ‘grenzen van de rechtsstrijd’, maar dan wordt dit begrip dus in een andere betekenis gebruikt dan bij (i).
Heesakkers/Voetsen rov. 3.7, derde volzin, van
Beermann/Dexia).
Asbeek Brusse en
Faber/Hazet. In de literatuur bestaat aandacht voor de vraag in welke gevallen welk beginsel dragend is voor de verplichting tot ambtshalve toetsing. [25]
Asbeek Brusse(punt 45) en
Faber/Hazet(punt 56) volgt en door
Heesakkers/Voets(rov. 3.6.3) wordt bevestigd, dat de juridische verankering van de verplichting tot ambtshalve toetsing van een mogelijk oneerlijk beding wordt gevonden in de ‘openbare orde’-route en dus in het gelijkwaardigheidsbeginsel. Men zou naar mijn mening met deze constatering kunnen volstaan, zodat een toets aan het effectiviteitsbeginsel verder overbodig is. De toets aan beide beginselen dient er in de rechtspraak van het HvJEU immers toe om te bewerkstelligen dat er een juridische verankering is voor de plicht tot ambtshalve toetsing. Nu die verankering is gevonden in het gelijkwaardigheidsbeginsel, resteert nog slechts de vraag wat de Richtlijn in een geval als het onderhavige vereist.
Baczó & Vizsnyiczai) in ander verband overwoog, dat toetsing door hogere rechters kan “bijdragen aan een meer homogene en gespecialiseerde rechtspraak in zaken die betrekking hebben op de in Richtlijn 93/13/EEG opgenomen regels.” [26]
Faber/Hazet, punt 44.
Heesakkers/Voetskan, óók in de onderhavige situatie, worden beoordeeld of de appelrechter ambtshalve het beding moet toetsen. Het is daarom ook niet nodig om voor het onderhavige geval een andere regel te formuleren.
Heesakkers/Voetskunnen dus ook in de onderhavige situatie worden toegepast. De appelrechter zal mogelijk niet steeds in zijn arrest blijk geven van zijn beoordeling van (het oordeel van de eerste rechter over) het beding. Dat is ook niet vereist. In cassatie kan immers ook dan, zo volgt uit rov. 3.9.3 en 3.9.1 van dit arrest, worden geklaagd over de begrijpelijkheid van het oordeel van de appelrechter dat de in de procedure gebleken gegevens hem geen aanleiding hebben gegeven voor een ambtshalve onderzoek.