Uitspraak
1.[appellant 1],
[appellant 1],
[appellant 2],
[appellant 2],
[appellanten],
1.[geïntimeerde 1],
[geïntimeerde 1],
[geïntimeerde 2],
[geïntimeerde 2],
[geïntimeerden],
1.Het geding in eerste aanleg
Het geding in hoger beroep
vonnis van 12 april 2006heeft de rechtbank geoordeeld dat geen hoge eisen mogen worden gesteld aan het normale gebruik van de boerderij vanwege het feit dat er zichtbaar veel achterstallig onderhoud was, in de muren veel scheuren waarneembaar waren, een zichtbare bovengrondse dieseltank aanwezig was en er mededelingen zijn gedaan over ondergrondse tanks en over de aanwezigheid van asbest of asbesthoudende stoffen in de boerderij met schuren en ondergrond. Voorts is overwogen dat de septic tank en het schonen van sloten niet kan leiden tot een oordeel over de conformiteit en dat de staat van de boerderij en schuren geen afbreuk doen aan de eigenschappen waarvan [appellanten] de aanwezigheid mochten verwachten. Tegen dit laatste deel van deze overweging zijn de
grieven 1 en 2 in principaal appelgedeeltelijk gericht. Verder is in dit vonnis overwogen dat de aanwezigheid van bodemverontreiniging kan leiden tot het ontbreken van eigenschappen die nodig zijn voor normaal gebruik, waartegen
grief I in incidenteel appelis gericht. In dat geval komt [geïntimeerden] geen beroep toe op de exoneratieclausule van artikel 8 en Pro op de onbekendheidsclausule. Of er sprake is van verontreiniging, meebrengend dat de zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, is volgens de rechtbank afhankelijk van de mate van verontreiniging en van hetgeen [appellanten] konden verwachten, gelet op de zichtbare aanwezigheid van de dieselolietank en het algemeen bekende feit dat boerenerven vaak verhard zijn met puin. Daarvoor is nader deskundigenonderzoek vereist. Vervolgens heeft de rechtbank (getuigen)bewijs gelast;
vonnis van 28 februari 2009heeft de rechtbank een deskundige benoemd, teneinde vast te stellen:
vonnis van 26 augustus 2009is overwogen dat [appellanten] het bewijs ten aanzien van de garantie met betrekking tot lekdicht zijn en vrij zijn van houtworm niet hebben geleverd, terwijl er over de mate van de aangetroffen verontreiniging en de te treffen saneringsmaatregelen een comparitie is gelast;
de conclusie uit het deskundigenbericht van [Y] van januari 2008 is:
vonnis van 14 april 2010is een nader onderzoek naar de mate van verontreiniging en het tijdstip van ontstaan daarvan alsmede de kosten van sanering gelast;
vonnis van 14 juli 2010komt de rechtbank tot de definitieve vraagstelling voor het aanvullend onderzoek door de deskundige, waartegen
grief 6 in principaal appelis gericht;
eindvonnis van 24 augustus 2011overweegt de rechtbank dat:
grief 1 en grief 6 in principaal appel(deels) gericht;
grieven 1 en 3 in principaal appelgericht;
grieven 4 en 5 in principaal appelgericht;
grief III in incidenteel appelgericht;
Verontreinigingals volgt heeft overwogen:
bevindende bebouwing (HR 23 december 2005, LJN AU2414, RvdW 2006, 17).
Verontreiniging, met verwijzing naar toepasselijke rechtspraak van de Hoge Raad heeft overwogen. [geïntimeerden] hebben immers in artikel 8 van Pro de koopovereenkomst gegarandeerd dat de boerderij bij de eigendomsoverdracht (of - indien eerder - bij de feitelijke levering), de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik nodig zijn en die uitdrukkelijk zijn overeengekomen, terwijl [appellanten] voornemens waren het gekochte te gebruiken voor (gezins)bewoning. Aan die garantie doet eventuele onbekendheid van [geïntimeerden] met (bodem)verontreinigingen die nadelig zijn voor het in artikel 8 omschreven Pro gebruik door de koper of die leiden of zouden kunnen leiden tot een verplichting tot sanering van het object, het vergoeden van schade of het nemen van andere maatregelen, zoals opgenomen in artikel 10 van Pro deze koopovereenkomst, niet af.
De exoneratie in het tweede deel van voormeld artikel 8 maakt Pro dit niet anders, nog afgezien van het feit dat [geïntimeerden] niet naar voren hebben gebracht dat [appellanten] daadwerkelijk op de hoogte waren van de aanwezigheid van asbesthoudend puin in erfdeel RE7 of dat dit [geïntimeerden] onbekend was. De garantie dat de boerderij met aanbehoren en ondergrond geschikt is voor - kort gezegd - normaal gebruik van bewoning is nu eenmaal door [geïntimeerden] gegeven en wordt door voormelde bepaling in het tweede deel van artikel 8 en Pro voormelde onderdelen van artikel 10 niet Pro aangetast. Weliswaar hebben [geïntimeerden] gesteld dat de ophogingen in erfdeel RE7 aan [appellanten] zijn gemeld en dat zij dit gebrek derhalve wel konden verwachten, maar [geïntimeerden] hebben niet gesteld, noch is anderszins gebleken dat zij aan [appellanten] hebben meegedeeld dat deze ophogingen met asbesthoudend puin zijn verricht. Een en ander betekent dat grief I in incidenteel beroep tevergeefs is voorgesteld.
.
Grief 3 in principaal appelis eveneens gebaseerd op deze rapporten. Voor zover in de toelichting op deze grief met een beroep op de rapporten van TMS Holland B.V. en [X] B.V. wordt betoogd dat de koopsom tot € 50.000,- dient te worden verminderd, faalt de grief op dezelfde gronden als de voorgaande grief. De rapporten van [Y] acht (ook) het hof voldoende deskundig opgemaakt.
grieven 4 en 5 in principaal appelhebben betrekking op de afwijzing door de rechtbank in voormeld eindvonnis van het beroep op dwaling door [appellanten] en hun beroep op artikel 6:230 BW Pro. Gelet op hetgeen hiervoor onder 7.3 is overwogen, hebben [geïntimeerden] ter zake van de verontreiniging met asbest in het erfdeel RE7 niet hun mededelingsplicht geschonden. Van dwaling is derhalve geen sprake. Het beroep op artikel 6:230 BW Pro faalt daarmee eveneens. Ten aanzien van de recente ophoging van het perceel heeft de rechtbank terecht de primaire vordering toegewezen, zodat het hof deze beslissing zal bekrachtigen. Aldus zijn deze grieven ongegrond.
grief 7 in principaal appelwordt opgekomen tegen de hoogte van de door de rechtbank bepaalde schadevergoeding. Gelet op hetgeen hiervoor onder 7.3 is overwogen, zijn [geïntimeerden] vanwege de aanwezigheid van asbesthoudend puin in erfdeel RE7 op slechts dit punt jegens [appellanten] tekortgeschoten in hun verplichtingen uit de koopovereenkomst, terwijl met de sanering hiervan een bedrag van € 37.500,- is gemoeid .Dat met deze sanering een hoger bedrag is gemoeid, hebben [appellanten] evenwel op geen enkelemanier aangetoond. Daarmee is ook deze grief niet gegrond.
grief 9 in principaal appelis gericht tegen de compensatie van de proceskosten. Tegen beide oordelen is ook
grief IV in incidenteel appelgericht.