In deze civiele procedure vorderde Het Witte Paard Zuidlaren B.V. (WP) incidenteel op grond van artikel 843a Rv dat geïntimeerden ieder afzonderlijk binnen vijf dagen een afschrift zouden overleggen van borgtochtverklaringen die zij in 2004 ten behoeve van de schuld van [X] hadden ondertekend. Deze borgtochtverklaringen vormden de basis voor WP's betaling aan de Rabobank nadat de primaire schuldenaar in de wettelijke schuldsanering was toegelaten.
Geïntimeerden betwistten primair dat zij een dergelijke borgtochtverklaring jegens WP hadden ondertekend en stelden subsidiair dat zij niet langer over de documenten beschikten omdat deze aan [X] waren afgegeven, die ze vervolgens aan WP zou hebben overgedragen. WP kon echter geen concreet feit aanvoeren dat het tegendeel bewees.
Het hof overwoog dat hoewel aan de voorwaarden voor een incidentele exhibitievordering in beginsel was voldaan, het ontbreken van bewijs dat geïntimeerden de gevraagde stukken nog bezaten, de vordering tot afgifte moest stranden. WP werd veroordeeld in de proceskosten van het incident. De hoofdzaak werd verwezen naar de rol voor verdere behandeling.