Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.[geintimeerde sub 1],
[geintimeerde sub 2],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze civiele zaak stond de immateriële schadevergoeding van ouders centraal, die hun dochter verloren door moord en verbranding op 17 november 2003. De rechtbank Arnhem had de appellant hoofdelijk aansprakelijk gesteld en veroordeeld tot betaling van €12.000 per ouder wegens immateriële schade.
De appellant voerde in hoger beroep aan dat de rechtbank de criteria voor rechtstreekse confrontatie onjuist had toegepast, met name verwijzend naar het Taxibus-arrest en het Vilt-arrest van de Hoge Raad. Hij stelde dat de ouders niet direct getuige waren geweest van de feiten en pas later via media en strafrechtelijke procedures kennis namen van de details, waardoor geen rechtstreekse confrontatie zou zijn.
Het hof oordeelde echter dat de ouders kort na de vondst van het lichaam geconfronteerd waren met de ernstige gevolgen, waaronder het zien van verkoolde kleding en sieraden van hun dochter, en het onvermogen tot identificatie en afscheid nemen. Deze confrontatie werd als direct en hevig emotioneel ingeschat, vergelijkbaar met feitelijke waarneming, mede bevestigd door een psychiatrisch rapport. De media-aandacht en strafrechtelijke behandeling versterkten de voortdurende confrontatie.
De grief van appellant faalde, het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellant in de kosten van het hoger beroep en nakosten. Het arrest werd op 16 december 2014 uitgesproken door het hof Arnhem-Leeuwarden.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de immateriële schadevergoeding aan de ouders en veroordeelt appellant in de kosten van het hoger beroep.