Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn voormalig partners met drie kinderen, waarvan twee minderjarig en woonachtig bij de vrouw. De man was verplicht kinderalimentatie te betalen, welke door de rechtbank was gewijzigd. De vrouw kwam hiertegen in hoger beroep, stellende dat de bijdrage te laag was en vroeg een hogere alimentatie met terugwerkende kracht. De man kwam in incidenteel hoger beroep en verzocht om een lagere bijdrage.
Het hof beoordeelde of relevante wijziging van omstandigheden bestond, zoals het bereiken van meerderjarigheid van het oudste kind en de verkoop van de voormalige echtelijke woning. De behoefte van de kinderen werd vastgesteld op €178 per kind per maand, rekening houdend met het kindgebonden budget. De draagkracht van partijen werd berekend volgens de richtlijnen van de Expertgroep Alimentatienormen, waarbij rekening werd gehouden met de werkelijke woonlasten en hypotheeklasten van de man, inclusief een geldlening voor de restschuld van de woning.
Het hof bepaalde twee periodes voor de draagkrachtberekening: voor en na de overdracht van de woning. In de eerste periode werd de draagkracht van de man lager vastgesteld door hogere woonlasten. In de tweede periode werden de lasten van de restschuld meegenomen. De bijdrage van de man werd vastgesteld op €65 per maand voor beide kinderen samen vanaf 1 mei 2013 en €303 per maand vanaf 1 september 2013. De proceskosten werden gecompenseerd vanwege de relatie tussen partijen en het onderwerp van de procedure.
Uitkomst: De man moet vanaf 1 mei 2013 €65 per maand en vanaf 1 september 2013 €303 per maand betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de twee minderjarige kinderen.