Belanghebbende was in geschil met de Inspecteur over de fiscale woonplaats en de juiste vaststelling van de inkomstenbelastingaanslagen over de jaren 1999 tot en met 2006. De Inspecteur had op basis van een woonplaatsverklaring uit 1999 belanghebbende als buitenlandse belastingplichtige aangemerkt, maar later bleek uit een strafrechtelijk opsporingsonderzoek dat belanghebbende feitelijk in Nederland woonde en werkte.
Belanghebbende werd in 2004 strafrechtelijk veroordeeld wegens oplichting en het doen van onjuiste belastingaangiften. Tijdens het hoger beroep stelde belanghebbende dat hij mocht vertrouwen op de woonplaatsverklaring van de Inspecteur en dat de aanslagen daarom onjuist waren vastgesteld. Het Hof oordeelde dat belanghebbende zelf onjuiste informatie had verstrekt om buitenlandse belastingplicht te verkrijgen, waardoor hij geen beroep kon doen op vertrouwensbescherming.
Het Hof bevestigde dat belanghebbende in de jaren 1999, 2000 en 2001 als binnenlandse belastingplichtige moet worden aangemerkt, overeenkomstig eerdere onherroepelijke uitspraken voor andere jaren. Voor de jaren 2003, 2004 en 2006 werd vastgesteld dat belanghebbende geen tijdige of juiste aangiften had gedaan, waardoor de aanslagen terecht ambtshalve waren vastgesteld. De opgelegde verzuimboete voor 2006 werd passend geacht en de heffingsrente werd eveneens bevestigd.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de Rechtbank Gelderland bevestigd. Er werden geen proceskosten toegewezen. Tegen deze uitspraak staat cassatie open bij de Hoge Raad.