Belanghebbende exploiteerde een veehouderij en verkocht in 2000 een perceel grond met een compromis over de belastingheffing van de bestemmingswijzigingswinst. Na een boekenonderzoek legde de Inspecteur een navorderingsaanslag op omdat het perceel vanaf 2003 niet meer geheel voor landbouw werd gebruikt.
De Hoge Raad verwees de zaak tweemaal terug voor nadere beoordeling van het gebruik van het perceel in de periode 2003-2006. Het Hof onderzocht het gebruik van het perceel voor het weiden van paarden en de productie van ruwvoer, waarbij het belang van beweiding voor de ontwikkeling van jonge paarden werd meegewogen.
Het Hof concludeerde dat het perceel in genoemde jaren ten minste nagenoeg geheel dienstbaar was aan het landbouwbedrijf, waarbij de begrazing en ruwvoerproductie samen circa 81-83% van het gebruik uitmaakten. De navorderingsaanslag werd daarom vernietigd en de uitspraak van de Rechtbank bevestigd.