Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
1.Ontstaan en loop van het geding
2.De vaststaande feiten
3.Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
4.Beoordeling van het geschil
5.Kosten
6.Beslissing
3 maart 2015.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Belanghebbende was door de strafrechter veroordeeld voor handel in cocaïne en witwassen, waarna de Inspecteur navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) over 2006-2009 en aanslagen zorgverzekeringswet oplegde. Tegen deze aanslagen werden bezwaren ingediend die door de Inspecteur werden afgewezen. Belanghebbende stelde beroep in bij de rechtbank, die de beroepen tegen de aanslagen over 2006-2008 niet-ontvankelijk verklaarde wegens overschrijding van de beroepstermijn.
Belanghebbende stelde hoger beroep in tegen deze niet-ontvankelijkverklaring. Hij voerde aan dat verwarring was ontstaan door verschillende dagtekeningen en uitspraken op bezwaar, en dat het te laat indienen van het beroepschrift verschoonbaar was. Het hof oordeelde dat de beroepstermijn duidelijk was en dat de adviseur van belanghebbende, een professionele rechtsbijstandverlener, redelijkerwijs op de hoogte had moeten zijn van de termijnen.
Het beroep op het vertrouwensbeginsel en artikel 6 EVRM Pro faalde, omdat de procedure niet onder artikel 6 EVRM Pro valt en belanghebbende geen aannemelijk bewijs leverde voor de gestelde toezeggingen. Het hof concludeerde dat belanghebbende in verzuim was en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van de beroepen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en er werden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het hof bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep wegens overschrijding van de beroepstermijn.