Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[verzoekster],
verzoekers in hoger beroep, verder te noemen: [verzoeker] respectievelijk [verzoekster],
[B] B.V.,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
De zaak betreft een hoger beroep tegen de afwijzing van verzoeken tot opheffing van het bewind en ontslag van de bewindvoerder over de vermogens van twee rechthebbenden. De kantonrechter had de verzoeken afgewezen, maar het hof oordeelt anders.
De rechthebbenden waren eerder onder bewind gesteld wegens tijdelijke ongeschiktheid door een ongeval en problematische schulden. Zij hebben inmiddels hun financiën zelf weer op orde, een actuele schuldeninventarisatie gemaakt en een regeling getroffen met schuldeisers. Ook worden zij ondersteund door een gezinscoach en schuldhulpinstanties.
Het hof stelt vast dat de noodzaak van het bewind is komen te vervallen en heft het bewind op met ingang van twee weken na de beschikking. Het verzoek tot ontslag van de bewindvoerder behoeft geen verdere behandeling. De kosten van het hoger beroep worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof heft het bewind op en wijst het verzoek tot ontslag van de bewindvoerder af.