Belanghebbende, eigenaar van drie bedrijfsgebouwen aan de [a-straat] te [Z], was het niet eens met de door de heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarden per 1 januari 2011. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
Het geschil betrof vooral de waarderingsmethode en de juiste oppervlaktebepaling van de gebouwen. Belanghebbende pleitte voor de huurwaardekapitalisatiemethode, terwijl de heffingsambtenaar de gecorrigeerde vervangingswaarde hanteerde. Beide partijen konden echter geen eenduidige gegevens over de vloeroppervlakten en waarderingsgrondslagen geven.
Het Hof oordeelde dat noch de heffingsambtenaar noch belanghebbende het bewijs voor hun waarderingen aannemelijk hadden gemaakt. Daarom stelde het Hof in goede justitie lagere waarden vast voor de drie onroerende zaken: €7.000.000, €1.000.000 en €4.500.000 respectievelijk. Tevens werden proceskosten toegekend aan belanghebbende en werd het betaalde griffierecht vergoed.