ECLI:NL:GHARL:2015:3948

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juni 2015
Publicatiedatum
2 juni 2015
Zaaknummer
200.127.478-01
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep verworpen wegens niet tijdig dienen van grieven in civiele zaak

In deze civiele procedure was appellante in hoger beroep gekomen tegen een vonnis van de rechtbank Oost-Nederland. Het hof verwees de zaak naar de rol van 16 december 2014 voor het indienen van de memorie van grieven. Appellante heeft echter nagelaten binnen de gestelde termijnen grieven in te dienen, ondanks verlening van uitstel.

Vesteda, de geïntimeerde, stelde appellante peremptoir en vroeg om akte niet-dienen, die ook werd verleend. Hierdoor verviel het recht van appellante om alsnog grieven te dienen. Het hof oordeelde dat het vonnis van de rechtbank niet in strijd was met dwingende rechtsregels en verwierp het hoger beroep.

Appellante werd als de in het ongelijk gestelde partij beschouwd en veroordeeld in de kosten van het hoger beroep, vastgesteld op een bedrag van € 1.130,- inclusief salaris advocaat en verschotten. Het arrest werd uitgesproken door het hof Arnhem-Leeuwarden op 2 juni 2015.

Uitkomst: Het hoger beroep van appellante wordt verworpen wegens niet tijdig dienen van grieven en zij wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.127.478/01
(zaaknummer rechtbank Oost-Nederland 626916 CV EXPL 12-5278)

arrest van de eerste kamer van 2 juni 2015

in de zaak van:

[appellante],

wonende te [woonplaats]
appellante
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna:
[appellante],
advocaat: mr. J.W.C. Bruins, kantoorhoudend te Amsterdam,
tegen

Vesteda Investment Management B.V.,

gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres,
hierna:
Vesteda,
advocaat: mr. J.D. van Vlastuin, kantoorhoudend te Veenendaal.
De rolbeschikking van 4 november 2014 wordt hier overgenomen.
1 De verdere loop van het geding in hoger beroep
1.1
Op grond van voormelde rolbeschikking is de zaak verwezen naar de rol van 16 december 2014 voor memorie van grieven.
1.2
Vesteda heeft [appellante] partij peremptoir gesteld en tijdig akte niet-dienen aangezegd.
1.3
Op de rol van 16 december 2014 heeft [appellante] niet van grieven gediend. Vervolgens is een uitstel van twee weken verleend voor het nemen van de memorie van grieven.
1.4
Ter rolle van 30 december 2014 heeft [appellante] niet van grieven gediend en is aan Vesteda akte niet-dienen verleend. Aan Vesteda is vervolgens een uitstel van twee weken verleend voor beraad incidenteel appel.
1.5
Op de rol van 13 januari 2015 heeft Vesteda arrest gevraagd en daartoe de stukken overgelegd.
2 De beoordeling
2.1
[appellante] heeft de haar door het hof gestelde termijnen voor het nemen van de memorie van grieven ongebruikt laten verstrijken. Door de verlening aan Vesteda van akte niet-dienen is het recht van [appellante] om alsnog van grieven te dienen, komen te vervallen.
2.2
Nu [appellante] geen grieven heeft ontwikkeld tegen het vonnis waarvan beroep, en in aanmerking nemend dat het vonnis van de rechtbank van 19 februari 2013 niet in strijd is met rechtsregels die van openbare orde zijn, zal het hoger beroep van [appellante] worden verworpen.
2.3
[appellante] moet in hoger beroep worden beschouwd als de in het ongelijk te stellen partij. Het hof zal [appellante] dan ook veroordelen in de kosten van het geding in hoger beroep (salaris advocaat: ½ punt in tarief II).

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
verwerpt het hoger beroep van [appellante];
veroordeelt [appellante] in de kosten van het geding in hoger beroep en stelt die kosten aan de zijde van Vesteda tot aan deze uitspraak vast op € 683,- aan verschotten en op € 447,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat.
Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. B.J.H. Hofstee en mr. L. Groefsema, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 2 juni 2015.