ECLI:NL:GHARL:2015:3954

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
2 juni 2015
Publicatiedatum
2 juni 2015
Zaaknummer
200.139.760-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:13 BWArt. 4:14 BWArt. 6:119 BWSuccessiewet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering kinderen jegens echtgenoot over wettelijke verdeling nalatenschap

In deze civiele zaak stond de vraag centraal wat de echtgenote van de erflater aan de kinderen van de erflaatster uit hoofde van hun erfdeel in de nalatenschap verschuldigd is. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland vernietigd en opnieuw beslist.

De kern van het geschil betrof de berekening van de vordering van de kinderen jegens de echtgenote. Het hof stelde vast dat niet de belaste verkrijging in de zin van de Successiewet bepalend is, maar de totale verkrijging verminderd met de betaalde erfbelasting. Hierdoor bestaat het erfdeel van elk kind uit een vordering van €21.226,- ten laste van de erflater. Deze schuld behoort tot de nalatenschap van de erflater en moet door de echtgenote worden voldaan.

Daarnaast oordeelde het hof dat de echtgenote niet verplicht kan worden om op eigen kosten bankafschriften van vóór het overlijden op te vragen, maar wel inzage moet geven in de reeds aanwezige dagafschriften. De vorderingen van de kinderen werden deels toegewezen, en de kosten van het geding werden gecompenseerd zodat elke partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het hof veroordeelt de echtgenote tot betaling van het erfdeel aan de kinderen, vermeerderd met rente, en wijst inzage in bankafschriften toe.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.139.760/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/138130 / HA ZA 12-393)

arrest van de eerste kamer van 2 juni 2015

in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats 1],
appellante,
in eerste aanleg: gedaagde,
hierna te noemen:
[appellante],
advocaat: mr. P.L. Verhulst, kantoorhoudende te Vries,
tegen

1. [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats 2],
hierna te noemen:
[geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats 1],
hierna te noemen:
[geïntimeerde 2],
geïntimeerden,
in eerste aanleg: eisers,
hierna gezamenlijk te noemen:
[geïntimeerden],
advocaat: aanvankelijk mr. R. Kuizenga, kantoorhoudende te Almere, thans mr. N. Groen, eveneens aldaar kantoorhoudende.
De inhoud van het tussenarrest van 10 februari 2015 wordt hier overgenomen.

Het verdere verloop geding in hoger beroep

Ingevolge het genoemde tussenarrest heeft op 21 april 2015 een comparitie van partijen plaats gehad. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal bevindt zich bij de stukken van het geding.
Tenslotte heeft het hof wederom arrest bepaald.

De verdere beoordeling

Inzending van de stukken
1. Geen van partijen heeft de stukken ingezonden, omtrent welke het hof in rechtsoverweging 7 van het genoemde tussenarrest heeft te kennen gegeven dat het wenselijk is daarover te beschikken ten behoeve van een doelmatige behandeling van de zaak ter comparitie-zitting.
Voorts met betrekking tot de vaststaande feiten:
2. Voorts is in hoger beroep tussen partijen het volgende komen vast te staan:
( i) Voor de aanslag successierechten in de nalatenschap van de erflaatster is uitgegaan van een totale verkrijging van € 21.433,- van [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2] en een belaste verkrijging van € 12.431,--, terwijl de door [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2] verschuldigde erfbelasting over de verkrijging van de erflaatster een bedrag van € 207,-- beloopt, dat door de erflater is voldaan.
(ii) De aan de akte van huwelijkse voorwaarden gehechte staat van aanbrengsten vermeldt dienaangaande dat de erflater aan [geïntimeerde 1] respectieve [geïntimeerde 2] een schuld heeft van € 12.000,--.
Voorts met betrekking tot de grieven
3. Het hof zal bij de behandeling van de grieven uitgaan van de vaststaande feiten, zoals die in rechtsoverweging 2 van het genoemde tussenarrest van 10 februari 2015 en in rechtsoverweging 2 van dit eindarrest zijn vermeld met de aantekening dat ook in dit eindarrest de moeder van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als de erflaatster zal worden aangeduid en de vader als de erflater.
4. De grieven I, II, III en IV richten zich tegen hetgeen de rechtbank heeft overwogen en beslist met betrekking tot hetgeen [appellante] gehouden is om aan [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2] uit hoofde van zijn erfdeel in de nalatenschap van de erflaatster te voldoen. Het hof zal daarom deze grieven gezamenlijk behandelen.
5. Anders dan [appellante] ingang tracht te doen vinden, is daarbij uit te gaan van de 'totale verkrijging' van [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2] ten belope van
€ 21.433,-- verminderd met de erfbelasting ten belope van € 207,--. Dit betekent dat het erfdeel van [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2] in de nalatenschap van zijn moeder bestaat uit een vordering van € 21.226,-- ten laste van de erflater, als bedoeld in
art. 4:13 lid 3 BW Pro. Deze vordering van [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2] is een schuld van de nalatenschap, als bedoeld in art. 4:14 lid 1 BW Pro, daar waar het om de nalatenschap van de erflater gaat, welke schuld daarom door [appellante] aan hen is te voldoen.
6. Daaraan kan niet afdoen dat in verband met de eertijds uitgestelde opeisbaarheid voor de heffing van de successierechten van een lager bedrag als 'belaste verkrijging' is uitgegaan en evenmin dat de erflater meende het lagere bedrag aan [geïntimeerde 1] respectievelijk [geïntimeerde 2] verschuldigd te zijn, zoals ook in de hiervoor vermelde lijst van aanbrengsten zijn neerslag heeft gevonden. Hetzelfde geldt voor het feit dat de erflater zich tegenover [appellante], zoals deze heeft aangevoerd, in die zin heeft uitgelaten.
7. De vorderingen van [geïntimeerden] dienaangaande zijn derhalve niet geheel toewijsbaar.
8. De grieven I, II, III en IV treffen ten dele doel.
9. Grief V richt zich tegen hetgeen de rechtbank omtrent de door [appellante] aan [geïntimeerden] te verstrekken gegevens en ten aanzien van de oplegging van een dwangsom dienaangaande heeft overwogen en beslist.
10. Ter comparitie-zitting is naar voren gekomen, dat [appellante] - naar het hof begrijpt - wat bescheiden en andere gegevensdrager betreft uitsluitend enkele dagafschriften van bankrekeningen van de erflater onder zich heeft, die van na het overlijden van de erflater dateren. Zij heeft zich bereid verklaard om [geïntimeerden] daarin inzage te geven. Het hof ziet daarom voor de gevorderde oplegging van een dwangsom - anders dan de rechtbank - geen plaats. Voorts kunnen [geïntimeerden] naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet van [appellante] vergen dat zij op eigen kosten bij de bank dagafschriften opvraagt, die van vóór overlijden van de erflater dateren.
11. De vorderingen van [geïntimeerden] zijn daarom op dit punt slechts gedeeltelijk toewijsbaar.
12 Grief V treft derhalve eveneens doel.
De slotsom
11. Het beroepen vonnis van 23 oktober 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, moet worden vernietigd. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, beslissen als in het dictum van dit eindarrest zal worden omschreven. Gelet op de aanverwantschap tussen partijen, zal het hof de kosten van het geding zowel in eerste aanleg als in hoger beroep compenseren in die zin dat elke partij de eigen kosten zal dragen.

De beslissing

Het gerechtshof:
vernietigt het beroepen vonnis van 23 oktober 2013 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen; en
opnieuw rechtdoende;
veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde 1] te betalen een bedrag van € 21.226,--, vermeerderd met het in artikel 4:13 lid 4 lid Pro, BW genoemde percentage te rekenen vanaf 10 januari 2003 tot 22 mei 2012, en vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over het totaal bedrag met ingang van 13 augustus 2012 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt [appellante] om aan [geïntimeerde 2] te betalen een bedrag van € 21.226,--, vermeerderd met het in artikel 4:13 lid 4 BW Pro genoemde percentage te rekenen vanaf 10 januari 2003 tot 22 mei 2012, en vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW Pro over het totaal bedrag met ingang van 13 augustus 2012 tot de dag van volledige betaling;
gelast [appellante] aan [geïntimeerden] binnen één maand na heden inzage in en tegen
vergoeding van de kosten afschrift te geven van de in rechtsoverweging 10 bedoelde
dagafschriften;
verklaart bovenstaande veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. W. Breemhaar, mr. M.E.L Fikkers en mr. B.J.H. Hofstee en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 2 juni 2015.