Uitspraak
[appellant],
de Stichting,
1.Het geding in eerste aanleg
2.Het geding in hoger beroep
Dat Uw hof:
3.De beoordeling
.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn in 2008 gescheiden. Tot de gemeenschap behoorde een schuld aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) van €22.124,-. Na de echtscheiding heeft appellant de schuld voldaan en de huur van de woning voortgezet, terwijl geïntimeerde langdurig opgenomen was en niet zelfstandig woonde.
Appellant vorderde in eerste aanleg dat geïntimeerde voor de helft aansprakelijk wordt gehouden voor de schuld. De rechtbank wees de vorderingen af. In hoger beroep stelt appellant dat geen verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap heeft plaatsgevonden waarbij de schuld is begrepen en dat geïntimeerde dus voor de helft aansprakelijk is.
Het hof oordeelt dat de schuld een gemeenschapsschuld is en dat geen feitelijke verdeling heeft plaatsgevonden waarbij de schuld is begrepen. De omstandigheden dat appellant de schuld heeft voldaan en geïntimeerde niet werd aangesproken, leiden niet tot het oordeel dat geïntimeerde haar deel van de schuld niet meer hoeft te betalen. Het hof veroordeelt de Stichting als bewindvoerder van geïntimeerde tot vergoeding van de helft van de schuld inclusief wettelijke rente vanaf de betaling door appellant.
De kosten van het geding worden gecompenseerd, ieder draagt zijn eigen kosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: De ex-echtgenote is voor de helft aansprakelijk voor de schuld aan het CJIB en moet de helft van de door appellant betaalde bedragen vergoeden met wettelijke rente.