In deze zaak vordert geïntimeerde dat appellante niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat zij als moeder niet bevoegd zou zijn om namens haar minderjarige dochter op te treden. Appellante heeft echter een machtiging van de kantonrechter overgelegd die haar bevoegdheid bevestigt. Het hof wijst daarom de vordering tot niet-ontvankelijkverklaring af.
Daarnaast verzet geïntimeerde zich tegen de eiswijziging van appellante in hoger beroep, stellende dat deze te vaag is en onredelijke bemoeilijking van de verdediging veroorzaakt. Het hof oordeelt dat de eiswijziging tijdig en duidelijk is ingediend binnen de memorie van grieven en dat de inhoud van de eiswijziging voldoende samenhangt met het geschil over de uitleg van de winstdelingsclausule, zodat het verzet wordt verworpen.
Het hof verwijst de hoofdzaak naar de rol voor verdere behandeling en besluit de kosten van de incidenten te reserveren tot de einduitspraak. De uitspraak is gedaan door een kamer van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden op 30 juni 2015.