Belanghebbende, een BV, had een lening van €350.000 verstrekt aan een andere BV in het kader van een grondtransactie. Deze lening werd in de jaarrekening 2008 afgewaardeerd naar €58.333 vanwege een waardedaling van het onderliggende onroerend goed. De Belastingdienst accepteerde deze afwaardering niet en corrigeerde de aangifte vennootschapsbelasting, wat leidde tot een aanslag en heffingsrente.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Het hof oordeelde dat de overeenkomst van 6 mei 2008 tussen belanghebbende en haar directeur-grootaandeelhouder rechtsgeldig en bindend is, en dat de lening geheel voor rekening en risico van belanghebbende is. De inspecteur stelde dat sprake was van een schijnhandeling, maar het hof vond dat de inspecteur het vertrouwensbeginsel schond door dit standpunt in hoger beroep in te nemen en onvoldoende feiten had om dit te onderbouwen.
Het hof concludeerde dat de afwaardering terecht was en dat de aanslag en heffingsrente onjuist waren vastgesteld. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, de aanslag verminderd tot nihil en de proceskosten werden aan de inspecteur opgelegd.