In deze civiele procedure staat centraal de vraag of de verkoop van een melkquotum met toestemming van de verpachter heeft plaatsgevonden en of aanspraak bestaat op schadevergoeding dan wel nakoming. Het hof bevestigt dat moeder toestemming heeft gegeven voor de verkoop van het melkquotum in 2001 en waarschijnlijk ook in 2004, waardoor de verpachter recht heeft op de helft van de verkoopopbrengst. De beweerde afstand van recht door vader en moeder is niet bewezen.
Verder is onderzocht hoeveel grond in 1983 feitelijk in gebruik was door de pachter. Het hof acht bewezen dat dit meer dan 21 hectare betrof, namelijk circa 26,66 hectare, mede op basis van getuigenverklaringen en gebruiksovereenkomsten met Staatsbosbeheer en de gemeente. Dit leidt tot een berekening van de aanspraak op de verkoopopbrengst.
Ten aanzien van de pachtpenningen over de jaren 2011 tot en met 2013 is de vordering vermeerderd en niet betwist door de tegenpartij. De broers verwezen naar een onderhandelde regeling, maar het hof wijst de zaak toe voor nadere bewijslevering over betaling van achterstallige bedragen.
Het hof verwijst de zaak naar de rol voor nadere stukken en houdt verdere beslissing aan, waarmee het geschil over het melkquotum en de pachtpenningen voorlopig niet definitief is beslecht.