Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
[appellante],
[geïntimeerde 2],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze burengeschilzaak gaat het om hoge bomen en een beukenhaag die door de geïntimeerde dicht bij de erfgrens zijn geplant en het zonlicht in de tuin van de appellant aanzienlijk belemmeren. De appellant vordert dat de geïntimeerde zijn bomen periodiek terug snoeit tot een hoogte van maximaal twee meter, dan wel een hoogte die het hof passend acht. De rechtbank wees de vordering tot het verwijderen van overhangende takken toe, maar wees de snoeivordering af.
Het hof stelt dat onrechtmatige hinder afhangt van aard, ernst en duur van de hinder en de omstandigheden van het geval, waaronder plaatselijke omstandigheden. Het hof constateert dat de bomen en haag het zonlicht in de tuin van appellant gedurende het hele jaar, vooral op zonnige dagen, aanzienlijk belemmeren en dat de geïntimeerde alternatieven heeft om bomen verder van de erfgrens te planten.
De hinder door bladval wordt niet als onrechtmatig beoordeeld. Het hof veroordeelt geïntimeerde tot het jaarlijks snoeien van de bomen en haag tot een hoogte van vier meter, omdat dit geen onrechtmatige hinder oplevert en de overlevingskansen van de bomen waarborgt. Tevens wordt een dwangsom van €150 per maand na februari opgelegd met een maximum van €3.000. De vordering tot verwijdering van overhangende takken wordt bekrachtigd. De proceskosten worden gecompenseerd.
Uitkomst: Geïntimeerde wordt veroordeeld tot jaarlijkse snoei van bomen en haag tot vier meter met dwangsom bij niet-naleving.