Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoekster in hoger beroep,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak stond de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd was om kennis te nemen van een verzoek tot ondertoezichtstelling van een minderjarig kind dat in België is geboren en woont. De moeder, met Congolese nationaliteit, en het kind, met Nederlandse nationaliteit, wonen sinds de geboorte in België. De vader woont in Nederland.
De rechtbank Gelderland had de ondertoezichtstelling van het kind door de gecertificeerde instelling (GI) bevestigd. De moeder ging in hoger beroep en voerde onder meer aan dat de Nederlandse rechter niet bevoegd was omdat de gewone verblijfplaats van het kind in België ligt. De Raad voor de Kinderbescherming stelde zich op het standpunt dat de Nederlandse rechter wel bevoegd was omdat de moeder nog in Nederland was ingeschreven.
Het hof heeft geoordeeld dat de gewone verblijfplaats van het kind moet worden bepaald aan de hand van objectieve criteria zoals integratie in sociale en familiale omgeving, duur en redenen van verblijf, en de feitelijke situatie. Gezien het feit dat het kind sinds de geboorte in België woont, de moeder daar bij familie verblijft en de moeder de intentie heeft uitgesproken zich definitief in België te vestigen, is de gewone verblijfplaats van het kind in België gelegen.
Daarmee is de Nederlandse rechter niet bevoegd op grond van Brussel II-bis verordening. Het hof vernietigt de beschikking van 30 maart 2015 en verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek. De proceskosten worden in beide instanties gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het verzoek tot ondertoezichtstelling omdat het kind haar gewone verblijfplaats in België heeft.