Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
verzoeker in het principaal hoger beroep,
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Partijen zijn sinds 25 mei 2004 gescheiden en hebben twee kinderen. In het echtscheidingsconvenant van 14 april 2004 is overeengekomen dat de vrouw behoefte had aan partneralimentatie, maar dat de man destijds onvoldoende draagkracht had om dit te betalen naast kinderalimentatie.
De rechtbank had bij beschikking van 28 januari 2015 de partneralimentatie vastgesteld op € 888,- bruto per maand. De man kwam hiertegen in hoger beroep met het verweer dat de lotsverbondenheid na ruim tien jaar was vervallen, zodat geen onderhoudsverplichting meer bestond.
De vrouw stelde dat zij nog steeds lotsverbonden was en geen nieuwe relatie had, maar erkende dat zij sinds de scheiding financieel zelfstandig was geweest, mede dankzij een bedrag van € 45.000,- uit de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.
Het hof oordeelde dat de onderhoudsverplichting haar grondslag vindt in de levensgemeenschap van het huwelijk en dat na ruim tien jaar zonder aanspraak op partneralimentatie de lotsverbondenheid is vervallen. De vrouw was financieel onafhankelijk en het ontvangen bedrag deed daaraan niet af.
Daarom vernietigde het hof de beschikking van de rechtbank en wees het verzoek tot partneralimentatie af, waarbij de proceskosten werden gecompenseerd omdat partijen gewezen echtgenoten zijn.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot partneralimentatie af wegens verval van de lotsverbondenheid na ruim tien jaar.