ABN AMRO Lease vordert betaling van een bedrag van ruim €11,8 miljoen van drie vennootschappen binnen een concern op grond van een hoofdelijkheidsakte en 403-verklaringen. De rechtbank wees de vordering af vanwege onder meer de vermeende wanverhouding en het ontbreken van overleg en juridische bijstand. Het hof vernietigt dit vonnis voor zover het de vordering afwijst en wijst de vordering alsnog toe.
Het hof stelt vast dat de hoofdelijkheidsakte duidelijk en ondubbelzinnig is en dat de vennootschappen zich hoofdelijk verbonden hebben voor alle huidige en toekomstige verplichtingen jegens ABN AMRO Lease. De professionele aard van de partijen en de financiële deskundigheid van de ondertekenaars maken dat ABN AMRO Lease gerechtvaardigd mocht vertrouwen op de tekst en strekking van de akte.
Het beroep op dwaling en de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid faalt, evenals het verweer dat de hoofdelijke aansprakelijkheid slechts beperkt zou zijn tot de Sale & Lease-overeenkomst. Ook het verweer tot verrekening wordt afgewezen. Het hof veroordeelt de vennootschappen hoofdelijk tot betaling van de vordering, inclusief wettelijke rente en proceskosten, en verklaart het arrest uitvoerbaar bij voorraad.