Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Loonwerkbedrijf [appellant],
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
In deze zaak staat de geldigheid van een concurrentiebeding centraal dat is opgenomen in een arbeidsovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde]. Het concurrentiebeding verbiedt [geïntimeerde] om binnen 25 kilometer van de onderneming van [appellant] werkzaam te zijn bij een concurrerend bedrijf gedurende twee jaar na beëindiging van het dienstverband.
Na beëindiging van de arbeidsovereenkomst is [geïntimeerde] in dienst getreden bij een concurrerende onderneming, waarna [appellant] een kort geding aanspande om handhaving van het concurrentiebeding en betaling van boetes. De kantonrechter wees de vorderingen af en veroordeelde [appellant] in de proceskosten.
In hoger beroep betwistte [geïntimeerde] de geldigheid van het concurrentiebeding, met name het schriftelijkheidsvereiste zoals bedoeld in artikel 7:653 BW Pro (oud). Het hof oordeelde dat niet is komen vast te staan dat [geïntimeerde] het concurrentiebeding schriftelijk heeft aanvaard, mede omdat de vermeende handtekening op de arbeidsovereenkomst niet van hem afkomstig is. Hierdoor is het concurrentiebeding nietig.
Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter met verbeterde gronden en veroordeelde [appellant] in de kosten van het hoger beroep. De overige grieven behoeven geen behandeling meer.
Uitkomst: Het concurrentiebeding is niet geldig verklaard wegens niet-naleving van het schriftelijkheidsvereiste en het vonnis van de kantonrechter is bekrachtigd.