Partijen zijn in 2005 in gemeenschap van goederen gehuwd en zijn in 2013 gescheiden. De rechtbank had in 2014 de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld, waarbij de vrouw een bedrag aan de man moest betalen wegens overbedeling. De vrouw ging in hoger beroep en vorderde een hogere vergoeding, terwijl de man incidenteel hoger beroep instelde tegen de verdeling.
Het geschil betrof onder meer de waardering van de echtelijke woning, het schip, de schuld aan een stichting, de toedeling van mast en tuigage van het schip, en de aandelen en lening bij een stamrecht BV. Het hof stelde onder meer vast dat de keuken en bouwmaterialen niet waren meegenomen in de taxatie van de woning en waardeerde de woning inclusief deze onderdelen op €195.000.
De schuld aan de stichting werd niet erkend als een vordering waarop rekening moest worden gehouden. De mast, giek, spinnakers en overige spullen worden verkocht en de netto-opbrengst wordt gelijk verdeeld. De aandelen in de stamrecht BV en de lening behoren tot de gemeenschap, omdat de bruto ontbindingsvergoeding waarvoor de BV is opgericht niet langer verknocht is, mede doordat deze is gebruikt voor aankoop van de woning.
Het hof bepaalde dat de vrouw de lening bij de BV zal voldoen en de man de helft daarvan aan haar moet vergoeden. De man moet uit hoofde van overbedeling een bedrag van €57.447 aan de vrouw betalen. De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en het hof beslist opnieuw zoals beschreven.