In deze zaak staat het verzoek van de vader centraal om een omgangsregeling met zijn kind vast te stellen. Het hof bevestigt de eerdere afwijzing van de omgangsregeling vanwege een patstelling tussen de ouders en de persoonlijke problematiek van zowel het kind als de moeder. De moeder is emotioneel niet in staat het contact tussen vader en kind te ondersteunen, wat het kind zou belasten.
De Raad voor de Kinderbescherming rapporteerde dat het kind kampt met hechtings- en gedragsproblemen, waardoor het contact met de vader onder de huidige omstandigheden niet in het belang van het kind is. Het hof benadrukt dat een geforceerde omgangsregeling onrust en spanningen in de thuissituatie zou veroorzaken.
Tegelijkertijd legt het hof een informatieplicht op aan de moeder om de vader driemaal per jaar schriftelijk te informeren over de schoolprestaties, gezondheid en hobby's van het kind, eventueel via een door haar aan te wijzen tussenpersoon. Om naleving te bevorderen, wordt een dwangsom van €250 per overtreding opgelegd, met een maximum van €3.000. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en de kosten van het hoger beroep worden ieder door de eigen partij gedragen.